DE ESKIMO VERSUS DE OLIE – ‘MET OLIEDOLLARS KUN JE GEEN CULTUUR TERUGKOPEN’

Als de Iñupiaq Eskimo’s in Alaska naar de Chukchi Zee kijken, zien ze hun voedselvoorziening en hun cultuur. Als oliemaatschappij Shell naar dezelfde zee kijkt, ziet ze dollars, veel dollars. Deze zomer wil Shell er beginnen met boren naar olie. De Iñupiaq vrezen dat zelfs het allerkleinste olielek een eind zal maken aan hun cultuur.

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
POINT HOPE/VALDEZ (GPD) – Caroline Cannon stapt behoedzaam op de grote trampoline van zeehondenvel. De dertig mannen die het grote beige vel vasthouden tellen in koor tot drie in hun eigen taal: atausiq, malģuk, piŋasrut. En dan vliegt Cannon (55, oma van 26 kleinkinderen) de lucht in. Net zoals haar voorouders, ook Iñupiaq Eskimo’s, vroeger vanaf het zeehondenvel gelanceerd werden om open plekken in de met ijs bedekte zee te ontdekken. Want dáár zitten de zeehonden en de walvissen, waar de Iñupiaq al eeuwen op jagen.
Nu is de ‘blanket toss’ (laken werpen) onderdeel van hun traditie, de afsluiting van het jaarlijkse driedaagse walvisfestival in Point Hope, een afgelegen gehucht aan de noordwestkust van de Amerikaanse staat Alaska. Zo’n zevenhonderd Iñupiaq Eskimo’s in het dorp dat alleen bereikbaar is per Cessna-propellervliegtuigje vieren op die dagen de walvisvangst: dit jaar zijn er maar liefst vijf Groenlandse walvissen gevangen. Cannon wordt in juli geopereerd aan haar knie, maar dat weerhoudt haar er niet van mee te doen aan de blanket toss, waarop alle mannen en vrouwen hoog in de lucht worden geworpen. ,,Onze tradities zijn belangrijk”, klinkt het streng. Bovendien: ,,Nu kan het nog.”
Cannon is één van de uitsproken tegenstanders van het olieboren in de Chukchi Zee, 120 kilometer uit de kust van Point Hope. In de zee die van november tot en met juni bedekt is met een dikke laag ijs, hoopt Shell in augustus te beginnen met de eerste proefboringen. Cannon is bezorgd. ,, Shell belooft banen en kansen, maar tegen welke prijs? Met oliedollars kun je geen cultuur of tradities terugkopen. Ze zeggen allemaal dat ze uitstekend voorbereid zijn, maar niemand ervaring met een olielek in Arctische wateren.”
Dat klopt, geeft Geoffrey Merrell schoorvoetend toe. Hij is bij Shell verantwoordelijk voor het opruimen van een eventuele olielekkage. ,,We denken dat de olie door de kou een andere viscositeit heeft, stroperiger is en daardoor makkelijker is op te ruimen als er iets mis gaat. Maar zeker weten doen we het niet.” Merrell oefent dag in, dag uit met zijn team op de Nanuq (Iñupiaq voor ijsbeer), een speciaal voor Shell’s boringen in de zee bij Alaska ontworpen schip. Op verzoek van de Eskimo’s is het schip niet in het standaard oranje, maar in blauw en wit geverfd. Zo zouden de walvissen niet worden afgeschrikt. Het schip is compleet toegerust op het opruimen van eventueel gemorste olie. Oranje opblaasbare waterbarrières moeten de olie tegenhouden. Kleine vaartuigen, die vanaf het schip de zee in worden getakeld, moeten de olie daarna opzuigen. De Nanuq (prijskaartje: 100 miljoen dollar) gaat straks mee naar de Chukchi Zee. Als er wat misgaat, moet het schip binnen een uur ter plaatse zijn. De verantwoordelijkheid is groot, want kan de Nanuq het niet aan, dan duurt het dagen of misschien wel weken voordat andere schepen het afgelegen deel van de wereld bereiken.
Vandaag vaart de Nanuq in ander water, dat van de Prince William Sound voor de kust van de zuidoostelijke stad Valdez. Hier bereidt Shell zich voor op de proefboringen die de oliemaatschappij in juli of augustus hoopt uit te voeren in de Chukchi Zee. Volgens Shell zijn daar tussen de 25 en 27 miljard vaten olie te winnen. Maar het kleinste lek zou al desastreus kunnen zijn voor het leven in de Chukchi Zee, voor de baardrobben, de walrussen, de ijsberen en vooral voor de Groenlandse walvissen waaraan de Iñupiaq hun identiteit ontlenen. Die zeezoogdieren zijn kwetsbaar, weet marine-bioloog Jennifer Burns. ,,En wat als de oliebron in de winter gaat lekken?”, vraagt de professor aan de Universiteit van Alaska zich af. ,,Iedere opruimactie is dan vanwege het dikke ijs onmogelijk.”
Terwijl de Eskimo’s daar ongerust over zijn, is Pete Slaiby vooral opgelucht. De directeur van Shell Alaska ijvert al jaren voor de proefboringen. Al in 2005 en 2008 wist Shell bij een veiling de rechten van vermeende olievelden onder de zeebodem te bemachtigen. Maar van boren kwam het nooit. De Eskimo’s spanden samen met de milieubeweging rechtszaken aan om te voorkomen dat er een olieplatform in de Chukchi Zee zou verrijzen. Op het moment dat Shell in de zomer van 2010 dacht echt aan de slag te kunnen en al 4 miljard dollar had uitgegeven om dat mogelijk te maken, explodeerde in de Golf van Mexico de Deepwater Horizon. De oliebron spoot drie maanden lang olie in het water voordat het lek werd gedicht. Het was een olieplatform van BP en de Golf ligt meer dan 7500 kilometer van de zee in Alaska, maar toch verbood de Amerikaanse president Barack Obama iedere activiteit in Alaska.
Nu lijkt Shell de Amerikaanse overheid, op zoek naar mogelijkheden om minder afhankelijk te zijn van buitenlandse olie, te hebben overtuigd. ,,Nog nooit waren we zo dichtbij”, constateert Slaiby op de brug van Nanuq tevreden. ,,Natuurlijk ligt dat ook aan de economische situatie van de VS – we scheppen straks immers 55.000 permanente banen – maar we hebben ook aan alle veiligheidseisen voldaan.” Ook de Iñupiaq hebben hun verzet tegen het proefboren voorlopig gestaakt. Slaiby ging naar de Eskimo-gemeenschappen om hun vertrouwen te winnen. ,,Zeehond, eend, kariboe (soort rendier, HK), walvis, ik heb het allemaal gegeten”, lacht Slaiby. Laten we eerst maar eens onderzoeken of er werkelijk zoveel olie onder de zee ligt en als er iemand in de zeebodem gaat boren, laat het dan Shell maar zijn, zo is de gedachte bij een deel van de Eskimo’s.
Shell’s concurrenten vinden het ondertussen maar wat fijn dat Shell de kastanjes uit het vuur haalt. ,,Niemand wil de eerste zijn die gaat boren. Stel dat het misgaat?”, bekent een afgevaardigde van oliemaatschappij CoconoPhillips die met kisten vol appels en sinaasappelen – moeilijk te krijgen in Eskimoland – het walvisfestival bezoekt. Shell schittert door afwezigheid. In Point Hope, lange tijd het epicentrum van het verzet, is de ‘Royal Dutch Shell’ niet welkom.
Burgemeester Steve Oomittuk vraagt zich nog altijd af of Shell zich wel realiseert hoe belangrijk de zee en de jaarlijks langs trekkende walvissen voor zijn volk zijn. ,,De zee is onze tuin, onze winkel. Wat we daar in de lente vangen, is onze voedselvoorziening voor het hele jaar.” De in stukken gesneden walvissen worden opgeslagen in kelders uitgegraven uit permafrost op het westelijkste puntje van Point Hope, dichtbij het voormalige huis van Oomittuks tante. Hij laat het vol trots zien, het hutje gebouwd van walvisbotten en leem, op de plek waar het dorp vroeger gevestigd was – nog dichter bij de zee. Oomittuk werpt een nostalgische blik op de bevroren Chukchi Zee. ,,Hier speelde ik vroeger.”  De burgemeester benadrukt dat Point Hope de oudste nederzetting van Noord-Amerika is. ,,Al vierduizend jaar”, klinkt het trots. In 1890 kwamen de missionarissen, waardoor de Iñupiaq nu het geloof combineren met hun aloude tradities. ,,God is belangrijk.” Op de imposante begraafplaats, omzoomd met een hekwerk van walviskaakbeenderen, wedijveren de crucifixen met de botten van de grote walvissen. Met de grootste beenderen worden de graven van de walvisjagers – helden volgens de ongeschreven regels van Point Hope – geëerd.
Eén van die huidige helden is Herbert ‘Popsy’ Kinneeveauk. Hij is kapitein van een groep walvisjagers en heeft in tegenstelling tot Oomittuk het verzet tegen Shell gestaakt. Maar hij is ook de bestuursvoorzitter van een BV die de oorspronkelijke bewoners van Amerika onder bepaalde wetgeving mogen opzetten. In die hoedanigheid is hij vóór olieboren. ,,Ik zie het zo: God heeft ons de walvissen gegeven en dat is goed. God heeft ons ook olie gegeven en dat is ook goed.” Tikigaq BV (Iñupiaq voor Point Hope) hoopt bovendien op inkomsten uit de oliewinning, geen overbodige luxe in het arme Point Hope. Als de oliemaatschappijen over Eskimogrond een pijpleiding aanleggen, dan kunnen de Iñupiaq belasting heffen. Dan stromen de dollars binnen.
Patrouillerend in een gedeukte witte pick-up truck, waarmee hij voor 16 dollar per uur Point Hope vrij probeert te houden van ijsberen, schudt Rex Tuzroyluk mistroostig zijn hoofd. Zijn volk wordt met dat geld gecorrumpeerd en afhankelijk gemaakt. ,,Voor mijn opa was suiker en zout al gewoon, voor mijn vader was het boter en jam en voor mij is het beef jerky (gedroogde vleessnack, HK). Mijn zoon vindt een magnetron al heel gewoon. Dat is een slechte ontwikkeling. Wij moeten zelfvoorzienend zijn.”
Rex Rock, een walviskapitein die ook in het bestuur van Tikigaq BV zit, is niet zo bang voor de gevolgen van het olieboren. ,,Ik ben ervan overtuigd dat Shell voorzichtig is en er alles aan doet om de zee schoon te houden. Onze jongeren zitten voor de tv en achter de computer en prefereren Amerikaans eten boven onze walvissen. Dát is een veel grotere bedreiging voor onze cultuur.”

KADER:
De ramp met de Exxon Valdez
De plek waar de olietanker Exxon Valdez op 24 maart 1989 op het Bligh Reef in de Prince William Sound aan de grond liep, is nu gemarkeerd met een rode paal die boven het water uitsteekt. Hoewel de enorme omvang van die ramp (tussen de 250.000 en 750.000 vaten olie) verbleekte bij het gigantische olielek in de Golf van Mexico, zijn de Alaskanen de ramp niet vergeten. ,,De visstand is nog steeds niet hersteld, vooral de haring heeft nog last van de olie”, weet visser Thane Miller. ,,Ook de zalmprijs is nog steeds niet op het niveau van voor 1989.” Miller ruimde na de ramp zelf olie op. ,,Met een emmer en een dweil. Exxon deed die eerste dagen niks.” John Devens was destijds burgemeester van kustplaats Valdez. Hij kijkt met angst en beven naar de boringen van Shell in de Chukchi Zee. ,,Als ik destijds één ding heb geleerd, is het wel dat zeggen dat je voorbereid bent op een ramp niet hetzelfde is als echt voorbereid zíjn. Shell is beter voorbereid dan Exxon was, en beter dan BP was. Toch kunnen zij ook te maken krijgen met een olielek. En als olie eenmaal in het water terechtkomt, is het niet makkelijk op te ruimen. Maar de VS heeft olie nodig, de grote bedrijven hebben veel macht en de druk is groot.” Devens ondervond zelf hoe groot die druk kon zijn toen hij na de ramp door Exxon beïnvloed werd gezet om toch vooral te zeggen dat alles onder controle was. Trots: ,,Dat heb ik geweigerd.”

Advertenties