TOPLESS VOOR BURGERRECHTEN

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Waar de meeste vrouwen een drempel over moeten om zich in de zomer voor het eerst met blote benen op straat te vertonen, trekt Moira Johnston (29) meteen haar T-shirt en beha uit. Johnston loopt sinds drie maanden bijna dagelijks halfnaakt rond op Union Square in Manhattan. Voor de burgerrechten, zo claimt ze.
Het is een graad of dertig. Haar blote borsten raken af en toe haar kartonnen etensbakje.,,Ik trok in maart tijdens een yogales mijn shirt uit. Mannen mogen toch ook in ontbloot bovenlijf sporten?” Maar één van de mensen in haar klas diende een klacht in bij de eigenaar. De volgende les deed Johnston het weer en werd haar gezegd dat ze niet meer welkom was.
,,Ik ging naar huis en ik huilde. Toen dacht ik: dan ga ik toch gewoon topless naar buiten.” Inmiddels noemt ze zich een ‘topless activist’ en heeft ze vijftien klachten tegen sportscholen ingediend waar ze niet zonder bovenkleding mag sporten.
De frêle New Yorkse zou niet opvallen als ze kleren aan zou hebben. Toch kijkt niemand vreemd op als ze een plekje zoekt aan de felgroene tafeltjes met klapstoeltjes. Even daarvoor, toen ze op de hoek van Union Square stond, kreeg ze wel verbaasde blikken toegeworpen. Vooral van mannen die twee keer moesten kijken om te zien of ze het de eerste keer goed hadden gezien.
,,Van mannen krijg ik de meeste reacties”, zegt Johnston. Opvallend genoeg zijn die niet vervelend, seksistisch of lacherig. ,,De meeste mensen denken dat het illegaal is en dan leg ik uit dat dat niet zo is.”
New York nam in 1992 een wet aan die het legaliseerde met een bloot bovenlijf over straat te gaan. Maar zelfs de politie is daar niet van op de hoogte, getuige Johnstons arrestatie medio mei. ,,Ik werd aangehouden, geboeid en bedekt. Na anderhalf uur in de cel mocht ik weer gaan. Ik trok buiten direct mijn shirt uit.”
Een aantal avonden per week danst ze in een topless bar ,,ergens buiten de stad. Voor mij is mijn gelijkwaardigheidsmissie een manier om mijn borsten uit die seksuele sfeer te halen. Ze zijn immers ook maar gewoon een deel van mijn lichaam.”
Als het te koud wordt wil Johnston in openbare gebouwen verder gaan met haar actie. Net zo lang tot topless vrouwen worden geaccepteerd. Of tot mannen verplicht een shirt aan moeten tijdens sportlessen. Tot die tijd wil ze, net zoals zoveel New Yorkse mannen, met ontbloot bovenlijf joggen. ,,Ik moet even kijken of dat niet veel pijn doet. En ik wil natuurlijk ook niet dat mijn borsten daardoor gaan uitzakken.”

Advertenties

FLYER VERANDERDE HET LEVEN VAN EENZAME NEW YORKER

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – ‘Als iemand wil praten over wat dan ook, bel me: (347) 469-3173. Jeff, een eenzame vent’. Eind vorig jaar hing Jeff Ragsdale in New York 35 gele flyers met die tekst op. Inmiddels heeft hij 70.000 telefoontjes en duizenden sms’jes gekregen, zijn de opvallendste reacties gebundeld in een boek (dat wordt bejubeld door de Amerikaanse topauteur Bret Easton Ellis) en wordt er onderhandeld over een film.
Als er iemand verbaasd is over de impact van zijn actie, dan is het Ragsdale (40) zelf wel. Op een bank in Central Park vertelt hij hoe slecht hij zich voelde in het najaar van 2011. ,,De relatie met mijn vriendin was uitgegaan en ik wist niet hoe ik daarmee om moest gaan.”
Het zat Ragsdale niet mee in het leven. Hij had een ongelukkige jeugd en zijn ouders overleden toen hij jong was. Zes jaar geleden verhuisde hij van de westelijke staat Washington naar New York. Daar ontmoette hij zijn vriendin. ,,Na drie weken gingen we samenwonen. Te snel ja, maar ik was zo verliefd. Ik dacht dat we gingen trouwen en maakte me totaal afhankelijk van haar. Toen zij wegviel, vluchtte ik in alcohol, liep ik rond met zo veel opgekropte woede en had ik suïcidale gedachten.”
Ragsdale had geen vrienden en voelde zich eenzaam. ,,New York is een competitieve stad. Iedereen leeft in een tempo van een miljoen kilometer per uur. Op eenzaamheid rust een stigma. Als je eenzaam bent, ben je een ‘loser’.” In een opwelling typte hij de tekst voor zijn flyer. Hij liet 35 kopieën maken, op knalgeel papier. ,,Ze moesten wel opvallen.” Hij hing ze op lantaarnpalen kriskras door Manhattan. En wachtte af.
,,De eerste telefoontjes kwamen snel. Mensen die me een hart onder de riem wilden steken. Die me aanspoorden naar een kerk te gaan, maar ik geloof niet in God. Gekken heb ik nauwelijks aan de lijn gehad.” De echte drukte kwam toen de flyer gefotografeerd werd en via Twitter en Facebook werd verspreid. Toen kwamen de telefoontjes uit de hele wereld. Duizenden per dag.
Ragsdale zegt verlegen te zijn, maar is een makkelijke prater. Het gesprek wordt vier keer onderbroken door de telefoon. ,,Hallo, dit is Jeff, how are you? Waar bel je vandaan? Oh, Nebraska. Daar ben ik nog nooit geweest.” De beller blijkt Ragsdale op tv te hebben gezien. ,,Ik word onderhand een beroemdheid.”
Hij scrollt door ongelezen sms’jes heen. De lijst lijkt eindeloos. Hij leest er een paar voor: ,,’Je kunt net zo eenzaam zijn in de woestijn dan op Times Square’, stuurt een man uit Saoedi-Arabië. ‘Kop op’, schreef een vrouw uit Canada. En ik moet er nog 283 lezen.” Als we uitgepraat zijn, zijn het er 287.
Het beantwoorden van zijn telefoon is een dagtaak geworden. Hij is in overleg met een organisatie die het nummer over kan nemen, zodat zijn telefoon altijd opgenomen wordt. ,,Weet je, het is vermoeiend. Sommige dagen hang ik 16 uur per dag aan de telefoon. Over een paar maanden wil ik het overdragen. Ik heb gemerkt dat er veel eenzaamheid is en dat er veel mensen zijn die het zich aantrekken. Ik spreek met mensen die bedlegerig zijn, die het huis niet uit kunnen. Die vinden het fijn om met mij te praten.”
Ragsdale heeft er twintig goede vrienden aan over gehouden. ,,Ze zeggen dat ik van mezelf moet houden. Dat probeer ik. Ik voel me nu veel beter.” Over een jaar wil hij verhuizen. ,,Want die onpersoonlijke grote stad, dat is nog steeds niks voor mij.”

HOOGLERAAR LEERT VS OVER ‘DUTCH MODEL’ VOOR TIENERSEKS

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Je tienerdochter heeft een vriendje en wil blijven slapen. In de Verenigde Staten is dat onbestaanbaar. Terwijl het in Nederland wordt geaccepteerd. Waarom verschillen twee westerse landen zo van elkaar? De Amerikaanse socioloog Amy Schalet, professor aan de universiteit van Massachusetts, ging op onderzoek uit voor haar boek ‘Not Under My Roof’ (Niet onder mijn dak). En deed in de VS veel stof opwaaien.

– Waarom hebt u de VS met Nederland vergeleken? Veel Amerikanen zien Nederland al als Sodom en Gomorra.
,,Mijn vader was bioloog en werkte op de universiteit Leiden. Van mijn 2de tot mijn 21ste heb ik in Nederland gewoond. Als ik met Amerikaanse vriendinnen sprak, hoorde ik dat ze het zo moeilijk vonden om alleen te zijn met hun vriendjes. Maar logeren jullie dan niet bij elkaar?, vroeg ik. Want in Nederland was dat zo’n beetje de normaalste zaak van de wereld. Maar Amerika vindt ouders die dat toestaan ‘gestoord’.”

– Waarom? In Nederland lijken veel ouders nog te weten hoe het was om jong te zijn. In Amerika niet?
,,Het is grappig dat je dat vraagt. Terwijl Nederlandse ouders goede herinneringen aan hun jeugd lijken te hebben, zeggen Amerikaanse ouders: ‘we willen niet dat ze doormaken wat wij hebben doorgemaakt’. De seksuele revolutie is in beide landen blijkbaar anders beleefd en Amerikanen hebben daar een negatieve ervaring aan over gehouden.”

–  U zegt dat tienerseks in Nederland genormaliseerd is en in de VS gedramatiseerd wordt. Hoe komt dat?
,,Amerikanen denken dat tieners – en met name jongens – vol hormonen zitten en dat ze die niet kunnen beheersen. Verliefd zijn wordt gezien als iets wat je één keer in je leven overkomt. En dat kan dus niet op je 16de al gebeuren, zo is de redenatie. Daarom bestaat de seksuele voorlichting op veel Amerikaanse scholen alleen uit onthouding. Amerikaanse meisjes worden al slet genoemd enkel en alleen vanwege het feit dat ze seksueel actief zijn. Het Nederlandse begrip van ‘er aan toe zijn’ valt in de VS moeilijk uit te leggen. In Amerika wordt gedacht dat meisjes alleen met liefde bezig zijn en jongens alleen met seks. Terwijl uit onderzoek blijkt dat Amerikaanse jongens juist heel romantisch zijn.”

– U heeft voor uw onderzoek 130 interviews afgenomen, met ouders, tienerzonen en –dochters. Was het moeilijk om hen over seks te laten praten?
,,Ik legde via scholen contact met ouders voor een onderzoek over jong volwassenen. In de VS heb ik op drie plekken onderzoek gedaan, in Nederland heb ik een stad in het westen gekozen en een stad in Gelderland. Ik zeg niet welke steden, want ik heb iedereen vertrouwelijkheid beloofd. In de gesprekken kwam van alles aan de orde: familie, school, vrienden, hobby’s. Tegen de tijd dat ik over seks begon, was er al een vertrouwensband waardoor het niet vreemd was.”

– Wat wilt u met uw onderzoek bereiken?
,,Mijn boek is veel in het nieuws in de VS. Ik hoop dat Amerikanen zich daardoor realiseren dat er alternatieven zijn voor de Amerikaanse houding. En ik zeg overigens niet dat Amerika het ‘Dutch model’ moet overnemen. Maar eerlijk gezegd hoop ik wel op verandering. Maar als ik realistisch ben, weet ik dat het niet direct zal veranderen.”

– U was als tiener in Nederland. Mocht u van uw Amerikaanse ouders wel uw vriendje te logeren vragen?
,,Die vraag is me vaak gesteld, vooral door Amerikaanse media die er een sensatieverhaal van willen maken, want tienerseksualiteit spreekt nogal tot de verbeelding. Ik geef er geen antwoord op, want het gaat om mijn onderzoek, niet om mezelf. Al zou ik, als ik kinderen zou hebben, voorstander zijn van de Nederlandse aanpak.”

‘OVER EEN TWEEDERANGS SCHILDER KUN JE GEEN 1000 PAGINA’S VOLSCHRIJVEN’

Twee Amerikaanse juristen schrijven een biografie over Vincent van Gogh. Het klinkt als het begin van een grap, maar het resultaat is een serieuze tour de force. Een van de auteurs, Steven Naifeh, vertelt over de totstandkoming van het vuistdikke boek – nu al een bestseller – en de stof die het deed opwaaien.

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Als Steven Naifeh nu naar De sterrennacht van Vincent van Gogh kijkt, heeft hij het idee dat hij de mens achter het schilderij kent. Het kostte hem tien jaar onderzoek, meer dan zesduizend pagina’s aan research en dagelijkse bijpraatsessies met coauteur Gregory White Smith. Het was het waard. ,,Nu beleef ik zijn schilderijen op een veel intensere manier.”
Terwijl de Amerikaanse topbiografen in de jaren tachtig bezig waren met hun standaardwerk over de Amerikaanse kunstenaar Jackson Pollock – het leverde het duo de prestigieuze Pulitzer Prize op – mijmerden ze over welke kunstenaar ook zo’n krachtsinspanning verdiende. ,,Van Gogh was de eerste die bij ons opkwam.” Naifeh is de eerste die erkent dat de keus voor de schilder uit het Brabantse Zundert een vreemde was. ,,We spreken immers geen woord Nederlands, terwijl een groot deel van ons onderzoek draait om het bestuderen van documenten.”
,,Over een tweederangs schilder kun je geen duizend pagina’s volschrijven, dus we zochten een groot kunstenaar met een gecompliceerd leven; een leven dat belangrijk was voor zijn werk. Alles wat Van Gogh schilderde – of het nu een vaas met bloemen was, een kamer of een korenveld – was op een bepaalde manier een zelfportret. En hoewel je een bibliotheek zou kunnen vullen met de boeken die over Van Gogh geschreven zijn, waren we verbaasd toen we ontdekten dat er nog geen complete biografie was.”
Naifeh en Smith namen in eerste instantie elf vertalers aan, een groep die zou groeien tot twintig. Geld was geen bezwaar. Sinds Naifeh en Smith elkaar tijdens hun rechtenstudie aan de universiteit van Harvard leerden kennen, gingen ze een partnerschap aan. Die leidde niet alleen tot het schrijven van bestsellers, maar ook tot een goedlopend bedrijf dat een ranglijst van beste advocaten in de Verenigde Staten publiceert.
Smith bestudeerde anderhalf jaar lang, tien uur per dag, de vertaalde briefwisselingen tussen Van Gogh en zijn familie. ,,Af en toe werd hij gek van het gezeur van Van Gogh die zijn broer Theo almaar vroeg om meer geld”, weet Naifeh.
Zijn coauteur had de publicatie van de biografie bijna niet meegemaakt. Eind jaren tachtig werd bij hem een hersentumor geconstateerd die recent weer de kop opstak. ,,Hij heeft net zijn tiende hersenoperatie achter de rug. Toen de Amerikaanse zender CBS opnames maakte in Frankrijk voor een uitzending over ons boek, lag hij bijna dood te gaan aan een hersenbloeding. Maar inmiddels gaat het beter.”
Om Smith te ontlasten staat Naifeh, ook kunsthistoricus, nu bijna fulltime de media te woord en spreekt hij in zinnen waar geen einde aan lijkt te komen. ,,Ik zat maandagnacht tot 2 uur in mijn huis hier in Aiken, South Carolina te bellen met journalisten in Australië. Daarvoor had ik al verslaggevers uit Finland, Zweden, Engeland en Frankrijk aan de lijn. Dat dit wereldwijd zoveel teweeg brengt, is veelzeggend. Ik durf de stelling aan dat Van Gogh een belangrijker cultureel icoon is dan William Shakespeare of Johann Sebastian Bach.”
Irritatie is er ook, over de uitvergroting van één aspect uit de biografie: hun visie op de dood van Van Gogh. Hij heeft volgens de Amerikanen geen zelfmoord gepleegd, maar is neergeschoten door tieners in het Franse Auvers. ,,Dát krijgt alle aandacht en met name in de Amerikaanse pers gaat onze zorgvuldig aangebrachte nuance verloren. Als het onze bedoeling was geweest om net als Dan Brown een soort De Da Vinci Code (een boek waarin een mysterie wordt ontrafeld met behulp van feiten en fictie, hk) te schrijven, hadden we er geen tien jaar van ons leven ingestoken. Omdat we dit wel een beetje hadden verwacht; hebben we zelfs overwogen om het niet op te schrijven. Maar de dood is zo’n belangrijk deel uit het leven van Van Gogh dat we het onmogelijk konden schrappen.”
Dat het Van Gogh Museum in Amsterdam hun conclusies niet omarmde, noemt Naifeh logisch. ,,Het Van Gogh Museum is een instituut, het is logisch dat zij voorzichtig zijn in hun uitspraken en het eerst nader willen bestuderen. Zowel Greg als ik zijn van huis uit advocaat, dus we hebben er met een juridische blik naar gekeken. Aan de hand van het bewijs zijn wij er van overtuigd dat het zo gegaan is. Maar zeker weten doen we het niet.”
Naifeh denkt dat deze lezing over de dood van Van Gogh de mythe rond de schilder niet verstoort. ,,Hij probeerde de twee jongens die hem waarschijnlijk per ongeluk – het was beslist geen moord – hebben neergeschoten, te beschermen door te doen alsof het een poging tot zelfmoord was. En hij verwelkomde de dood, want hij wilde zijn broer Theo niet langer tot last zijn. Wij vinden dat een nobele en ontroerende gedachte.”

BEWINDVOERDER BAKKER: MOEILIJK OM NU WEG TE GAAN BIJ IMF

In zijn viereneenhalf jaar als Nederlandse bewindvoerder bij het IMF zag Age Bakker het fonds veranderen van op-sterven-na-dood naar een cruciale speler in de financiële crisis. In deze turbulente periode heeft hij afscheid genomen. ,,Ik vergelijk mijn tijd hier met een rollercoaster: als je denkt dat je er bent, krijg je nog een laatste zwiep.”

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
WASHINGTON (GPD) – Toen Age Bakker 16 was, kreeg hij van zijn ouders 100 gulden en een treinkaartje naar Grenoble, waar hij zou gaan studeren. Toen hij in Parijs een tussenstop maakte, ging hij er ‘aan de boemel’. Na een nacht was de 100 gulden op. Pretoogjes: ,,Toen ben ik maar verder gereisd naar Grenoble.”
Die 100 gulden heeft hij misschien niet verstandig geïnvesteerd – of misschien wel, aangezien het hem na meer dan vier decennia nog pretoogjes bezorgt – maar toch zou Bakker (61) later topeconoom worden. Terwijl hij in zijn tienerjaren schrijver wilde worden. Lachend: ,,Dat is niet gelukt. Al heb ik inmiddels wel zeker tien economieboeken op mijn naam staan.”
De jonge Age was een vroege en pientere leerling en sloeg op het gymnasium een klas over. Daarom was hij pas zestien toen hij zijn diploma in ontvangst nam. Hij besloot Franse letterkunde te gaan studeren. ,,In die tijd was Frans heel belangrijk, vooral in Europa.” Het jaar in Grenoble was ‘bijzonder leuk’, zegt Bakker in zijn werkkamer in het gebouw van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) in Washington. ,,Maar ik heb er bijzonder weinig gestudeerd. Eerst waren er de Olympische Spelen, waar ik werd afgeleid door de Nederlandse schaatssuccessen. Later was er de meistaking, waardoor de universiteit dicht ging.” Bakker demonstreerde mee. ,,Ik had geen flauw benul waar het over ging, maar ik stond aan de kant van de studenten.”
Maar na het jaar in Grenoble moest er een degelijk vak worden geleerd. Hij koos, net als zijn beide ouders, voor economie. Het zou hem helemaal naar Washington brengen, naar zijn ‘droombaan’. ,,Hier komt alles samen: de economische theorie en het politieke beleid.”
Hij had al eerder geproefd aan het werk bij het IMF, toen hij onder Onno Ruding en Koos Polak – “de grand old man van het IMF” – tijdelijk in Washington werkte. ,,Ik wist het toen al: ooit wil ik op hun stoel zitten. Toen ik in 1989 mijn huidige vrouw ontmoette, stelde ik één huwelijkse voorwaarde: ik zou ooit nog wel naar Washington willen, ga je dan mee? Ik had altijd wel voor haar gekozen, maar ze vond het gelukkig geen probleem.”
In 2007 was het zover: hij werd de Nederlandse bewindvoerder. Bij het IMF kennen ze Bakker als ‘executive director’, een functie waarin hij de belangen van Nederland en twaalf andere, vooral Oost-Europese landen behartigt. ,,Toen ik hier kwam schrok ik van wat ik aantrof. De wereldeconomie deed het toen goed, er werden hardop vragen gesteld over het bestaansrecht van het IMF. De stafleden die na de crises in Azië waren aangenomen, waren blijven hangen. Ze schreven elkaar nota’s. De organisatie moest opgeschud worden.”
Terwijl zijn vrouw werk maakte van het verwelkomen van nieuwe stafleden en hun families (“zij kent meer stafleden dan ik!”) stapte Bakker het kantoor van Dominique Strauss-Kahn binnen, die een paar maanden na de komst van Bakker als directeur was begonnen, met plannen om het IMF af te slanken, een betere focus te geven waardoor het voor landen aantrekkelijker zou worden om bij het IMF aan te kloppen. Met succes. ,,Daardoor waren we er klaar voor toen de crisis kwam.”
Al zou er in die tumultueuze maanden nog een ongeplande leiderschapswissel volgen. Strauss-Kahn stapte op na beschuldiging van verkrachting. ,,Een drama, zowel voor hem persoonlijk als voor het IMF. Ondanks de reorganisatie was hij geliefd en hij heeft het heel goed gedaan. Hij was een bekwaam politicus en een goede econoom. De juiste man op de juiste plaats.” Bakker maakte zich sterk voor een snelle en sterke vervanger, dat werd Christine Lagarde. ,,Ik was daar heel nauw bij betrokken, heel erg nauw, mag ik wel zeggen. Ze heeft een vliegende start gemaakt en Strauss-Kahn doen laten vergeten.”
Bakker leeft voor zijn werk. Als hij zijn afscheid had kunnen ensceneren, dan had hij graag het eind van deze crisistijden nog meegemaakt. ,,Het is moeilijk om nu te gaan. Maar mijn vertrek stond al lang vast en ik heb gezien dat je ook te lang kunt blijven hangen. Dat is ook niet goed.”
Zijn laatste periode is in ieder geval niet saai geweest. ,,Ik vergelijk het met een rollercoaster (vertaling: achtbaan): net als je denkt dat je er bent, krijg je nog een laatste zwiep.”
Oekraïne, één van de landen die Bakker onder zijn hoede heeft, klopte drie dagen na de val van Lehman Brothers bij het IMF aan. Daar is hij blij mee. ,,In 2009 zakte de economie daar met 16 procent in. Maar nu hebben ze een groei van 6 procent.” Bakker had graag gezien dat Griekenland ook zo pro-actief was geweest. Dan was de situatie in Europa nu heel anders geweest, denkt hij. ,,In Griekenland bleven ze maar in de denial-stand (vertaling: ontkenningfase). Het land talmde maanden voor het toegaf dat het hulp nodig had. Terwijl de ervaring leert dat het alleen maar erger wordt. Europa draalde trouwens ook. Daar heerste de gedachte dat je als EU-land toch niet bij het IMF kon aankloppen.”
Al is het IMF ook niet helemaal brandschoon en daarvoor steekt Bakker de hand ruiterlijk in eigen boezem. ,,We zijn bij de waarschuwingen aan Europa tekort geschoten. Dat had duidelijker gekund.”
Bakker gooit er nog maar eens een Engelse uitdrukking in, die na vier jaar onderdompeling in die taal meer op het puntje van zijn tong ligt dan de Nederlandse: ,,There’s no use crying over spilled milk.” De vertaling: gedane zaken nemen geen keer.
Zijn functie was zwaar: altijd bereikbaar zijn en lange dagen op kantoor. ,,Het zwaartepunt ligt vanwege het tijdsverschil in de ochtend. Dan bel ik met Europa.” Inmiddels is Bakker een ochtendmens. Toen hij als student een half jaar onderzoek deed in Tunesië moest hij iedere ochtend héél vroeg opstaan om van half vier tot zeven uur met een tolk groente- en fruithandelaars te interviewen. Dat was zwaar. ,,Het voordeel toen: de rest van de dag had ik vrij.” Weer zijn daar die pretoogjes. ,,Nu is dat wel anders.”
En als Bakker voor het IMF op reis ging, waren de dagen nog langer. ,,Een tripje naar Curaçao klinkt leuk, maar ik ben wel van donderdagavond tot dinsdagnacht aan het werk. En woensdagochtend zit ik dan weer achter mijn bureau op kantoor. En ik ben de afgelopen jaren wel twaalf keer de oceaan over geweest.”
Bakker vond het nodig alle landen te bezoeken die hij vertegenwoordigt. Zoals toen Roemenië de hand ophield bij het IMF. ,,Roemenië heeft een slechte track-record (vertaling: reputatie) bij het IMF, hield zich vaak niet aan afspraken. Ik wilde niet dat mij dat zou overkomen.” Bakker stapte op het vliegtuig naar Boekarest en vroeg om een onderhoud met de president en de premier. ,,Ik heb ze toen op de man af gezegd ‘ik zit hier als jullie vertegenwoordiger en ik wil dat jullie je aan de afspraken houden’.” Zijn aanpak werkte. Roemenië is nu een succesverhaal. ,,Maar je begrijpt dat we straks niet veel zullen gaan reizen, ik heb daar wel even genoeg van gehad.”
Maar in Washington heeft Bakker het ‘geweldig leuk gehad’. Hij genoot van de multiculturele stad, ging samen met zijn vrouw naar experimenteel toneel, nam lessen jazzimprovisatie en in de weekenden fietste hij in 2,5 uur een heuvelachtig rondje Rock Creek Park. ,,Met dit werk en op mijn leeftijd is het belangrijk om lichamelijk fit te blijven.” Maar de ochtenden met zijn zoon waren misschien wel het meest memorabel, dankzij de regel dat in de VS ouders hun kinderen vanaf 16 jaar rijles mogen geven. ,,Twee jaar lang reden we samen iedere ochtend door de spits naar de internationale school, Feite achter het stuur van onze tweedehands convertible (vertaling: cabrio) en ik gaf hem aanwijzingen.”
Hoewel Bakker van iedere dag genoten zegt te hebben, verlangt hij naar ‘een andere versnelling’ – “van de vijfde naar de vierde” – door terug te keren naar hun huis in Bussum en de boerderij in Drenthe die hij van zijn grootouders erfde. In februari keert hij terug als hoogleraar aan de Vrije Universiteit, een leerstoel die hij al eerder vervulde en de universiteit speciaal voor hem vrijhield.
Ambieert Bakker, net als vader Joop, nog een politieke carrière, bijvoorbeeld als minister van Financiën of Economische Zaken? ,,Beslist niet. Ik heb in 2006 meegeschreven aan het CDA-programma en dat vond ik leuk. U vroeg eerder of ik niet de behoefte had om me af te zetten tegen mijn ouders door iets anders dan economie te studeren. Dat had ik totaal niet. Maar ik wist al op hele jonge leeftijd dat ik nooit de politiek in wilde. We waren allemaal trots op mijn vader en ik wil er niet over uitweiden, maar ik heb gezien wat voor beslag dat legde op ons gezin. Dat wil ik mijn gezin nooit aandoen.”
Zijn gezin is het enige dierbare dat nog over is gebleven in zijn gestripte werkkamer, op foto’s in de kast achter zijn bureau. De rest is al in een container onderweg naar huis. Bakker en zijn vrouw volgen morgen (2 oktober). ,,Zoals de Amerikanen hier tegen me zeggen: het leven begint bij 61.”

KADER:
– Age Feite Poppe Bakker werd op 15 juni 1950 geboren in Bolsward
– Vader was ARP-politicus en econoom Joop Bakker, die in de jaren zestig en zeventig minister van Economische Zaken en Verkeer en Waterstaat was. Moeder Mieke Vegter was eveneens econoom
– Studeerde Franse letterkunde aan de universiteit van Grenoble en economie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam
– Was onderdirecteur bij De Nederlandsche Bank en kroonlid van de Sociaal-Economische Raad
– Getrouwd met zangeres Klara, vader van een dochter Barbara van 31 (uit een eerder huwelijk van zijn echtgenote) en zoon Feite van 20. Barbara is psycholoog, Feite studeert wiskunde (economie vond hij ‘te makkelijk’)
– Nam afscheid als Nederlandse bewindvoerder bij het IMF
– Wordt hoogleraar financiële markten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam

9/11 – IN TIEN JAAR VAN HELD NAAR SLACHTOFFER

Als één van de eersten stond hij op de puinhopen van Ground Zero. Nu is hij ziek. Net als agenten, ambulancepersoneel en brandweermannen die hun werk deden. Vakbondswerker John Devlin gaf zich vrijwillig op om te helpen. Hij ging van held naar slachtoffer, maar zijn kanker wordt niet door de overheid erkend. ,,Ik hielp omdat ik van mijn land hou, maar mijn land houdt blijkbaar niet van mij.”

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
BRIGHTWATERS (GPD) – John Devlin was nooit ziek. Had niet eens een huisarts. Ging graag skiën op de pistes van Aspen, Colorado, deed aan vechtsport en speelde softbal. Hij had het eeuwige leven. Hád. Nu woont hij praktisch in het ziekenhuis. Volgens prognoses van zijn artsen had hij al een jaar dood moeten zijn.
Maar hier zit hij dan nog, thuis in Brightwaters op Long Island, op de bruine suède hoekbank van het type dat met de juiste beweging verandert in een ligstoel. Naast hem ligt Buster, een teckel die denkt dat hij een Dobermann is. Boven de bank herinnert een houten bordje met ‘gone skiing’ aan zijn vroegere hobby. Zijn dunne blonde haar is bijeengebonden in een staartje. Zijn voeten zitten in zwarte leren motorlaarzen met zilveren beslag. Op de inrit staat een pick-up truck met op de portieren de sticker ‘RS11’: Remember September 11th. De Ford is zo groot dat hij het gevoel geeft alsof je in een huis rondrijdt. Het zijn de weinige pleziertjes sinds Devlin (50) zijn leven begin 2009 compleet zag instorten. ,,Toen de dokter zei dat ik keelkanker had, wilde ik hem slaan.”
Voor wie hem niet kent, oogt hij gezond. Maar een paar jaar geleden was hij nog twintig kilo zwaarder en had hij bovenarmen waar zijn huidige exemplaren twee keer in zouden passen. Zijn stem verraadt zijn ziekte al voor Devlin er zelf iets over heeft kunnen vertellen. Na ‘ontelbare’ operaties, 33 bestralingen en acht chemokuren moest hij opnieuw leren praten. Zijn stem klinkt alsof het uit een computer komt. Soms grijpt hij midden in een zin naar een flesje water. Speeksel maakt hij niet meer aan, de klieren die dat deden zijn er niet meer. Af en toe loopt hij de woonkamer uit om zijn inhalator te gebruiken. Ook zijn longen zijn stuk. Eigenlijk moet Devlin aan de sondevoeding, want eten gaat lastig. Voortdurend komen er stukjes voedsel in zijn longen terecht die daar ontstekingen veroorzaken. Devlin vreest dat één zo’n longontsteking uiteindelijk zijn einde zal betekenen.
Spijt heeft hij niet. Zelfs met de kennis van nu zou hij naar Ground Zero zijn gegaan om te helpen. ,,Als patriot was dat mijn plicht. Maar als zoiets nog een keer gebeurt ben ik de eerste die het anderen ontraadt.” De overheid in Washington weigert Devlin en de honderden anderen die na maanden op Ground Zero ziek werden te compenseren. Devlin was één van de grote voorvechters van de Zadroga-wet – genoemd naar de NYPD-agent die stierf aan een longaandoening die hij opliep na 9/11 – die ervoor zorgt dat de helden die slachtoffer werden een vergoeding krijgen. Met succes. De wet werd ondanks Republikeinse tegenstand begin dit jaar aangenomen. Maar eind juli werd besloten dat kanker van de wet wordt uitgesloten. Een enorme klap voor Devlin.
Op 11 september 2001 zat hij in zijn auto toen hij hoorde dat er een vliegtuig in één van de Twin Towers was gevlogen. Thuis zag hij beide wolkenkrabbers instorten. Devlin, machinist van graafmachines, bulldozers en andere machinerie, dacht aan de duizenden mensen die gevangen zaten onder het puin en wilde helpen. Op woensdag 12 september ging hij voor het eerst naar Ground Zero. Ruim negen maanden werkte hij er twaalf uur per dag, zeven dagen per week. In totaal, zo becijfert hij, 3200 uur.
In het begin zocht hij naar lichamen. Aan de andere kant van de hekken stonden radeloze familieleden die hem constant foto’s van hun man, vrouw, dochter, zoon in de handen drukten. Devlin haalt ze als voorbeeld uit een plastic hoes. ,,Later volgden we de vliegen. Nog later zochten we alleen maar naar botten.” Maandenlang stopte Devlin lichaamsdelen in blauwe lijkenzaken. ,,Ik veegde ze op alsof het bladeren waren.” Hij zegt het emotieloos, maar het doet hem heus wel wat. ,,Ik heb als kind genoeg doden gezien. Mijn vader stierf aan mijn voeten aan een hartaanval. Maar dit was te veel. Eén nacht ben ik ingestort.” Aan de baai in de buurt van zijn huis zat hij minutenlang te huilen. Toen ging de knop om. ,,Mensen waren op zoek naar hun dierbaren. Ik kon daarbij helpen. Ik moest doorgaan.”
Het was als een laagjestaart, beschrijft Devlin. Het glazuur was het puin en stof. Daaronder lagen de lichamen. Met zijn graafmachine groef hij een brandweerauto vol met brandweermannen uit. Sommigen intact, sommigen in stukken. De volgende laag bestond uit botten. Ribbenkasten, bekkens, schedels en schoenen. Ontelbare schoenen. De basis van de taart bestond uit nog meer puin. Toen de ‘laagjestaart’ binnen een jaar opgeruimd was, kwam er groen en geel slijm uit de neus van Devlin. Hoesten, hoesten, hoesten. En hij had plots astma. ,,En de overheid maar zeggen dat de lucht schoon was… Maar ja, met astma kun je leven.”
Met een posttraumatische stress-stoornis leven bleek een stuk moeilijker. Als ze cijfers hadden uitgedeeld voor de test die Devlin moest invullen, was dat een 10 geweest. In dit geval geen rapportcijfer waar je trots op mag zijn. Zijn huwelijk liep in 2007 na ruim twintig jaar op de klippen. Hij vond nieuw geluk bij verpleegkundige Nancy Nyhuis. Als er nog wat van de posttraumatische stress over was, zegt Devlin, dan is het uitgeveegd door de kanker. In november 2008 kreeg hij een zere keel. De keelpijn ging maar niet over. Hij ging naar een dokter, die het afdeed als maagontsteking. Toen Devlin in januari 2009 bij de specialisten van het Stony Brook ziekenhuis binnenstapte, bleek de werkelijkheid erger. Zijn artsen gaven hem zes maanden.
Keelkanker is een ziekte die zich manifesteert bij verstokte rokers en een enkele alcoholist. Devlin had nog nooit in zijn leven gerookt. Een grote drinker was hij ook niet. Devlin haalt een stapel brieven uit een zwarte koffer. Stuk voor stuk zetten zijn artsen – longarts, KNO-arts, oncoloog – zwart op wit dat de ziekte van patiënt Devlin naar hun professionele mening veroorzaakt was door maandenlange blootstelling aan de rookwolken en giftige dampen op Ground Zero. De staat New York nam die constatering over. Hierdoor krijgt Devlin maandelijks een uitkeringscheque van 3100 dollar (2200 euro). Nauwelijks genoeg voor de alimentatie voor zijn dochter (16) en studerende zoon (20) en om zijn nieuwe gezin (Nyhuis heeft drie kinderen) te onderhouden, maar veel te weinig voor de ziekenhuisrekeningen, die optellen tot zo’n 700.000 euro.
Daarom is het ook zo zuur dat Devlin naast de vergoedingen uit de door hem bevochten Zagroda-wet grijpt. ,,Is het nou uit te leggen in Nederland? Dat je maandenlang je ziel en zaligheid legt in het opruimen van de puinhopen. Dat je kanker krijgt. Dat al je artsen zeggen dat het van Ground Zero komt. Maar dat de regering dat ontkent? Ik hielp omdat ik van mijn land hou, maar mijn land houdt blijkbaar niet van mij.”
Hij wrijft over zijn getatoeëerde onderarmen. Op de rechter staat een goede geest die een kwade geest verjaagt. Een tattoo uit een indianenverhaal; Devlins moeder was half Cherokee. De tatoeage op de linker heeft hij na zijn diagnose laten zetten. ,,Het is de aartsengel Michaël die vecht tegen de duivel. Maar als ik er naar kijk, zie ik mijn strijd tegen kanker.”
Devlin zegt nu geen toekomst voor zichzelf te zien. Nancy heeft hij weliswaar ten huwelijk gevraagd, maar hij zal pas met haar trouwen als de onkosten voor zijn ziekte door de overheid worden betaald. ,,Ik wil niks waar ik geen recht op heb. Ik wil heus geen miljonair worden. Maar ik verdien beter. En alle anderen ook.” Hij strijdt ook voor zijn kameraden die al zijn overleden of te ziek zijn om zelf te vechten. ,,Ik hoop alleen dat ik lang genoeg leef om gerechtigheid mee te maken.”

‘DOOR 9/11 WERD IK NEW YORKER’

In een rood jack, gele rubberlaarzen en met een veiligheidsbril en masker om haar nek werkte de toen 25-jarige Rode Kruis-vrijwilliger Melissa van Wijk uit Nederland wekenlang op Ground Zero. Ze werd er gefotografeerd voor de tentoonstelling Faces of Ground Zero. Nu is ze 35 en blikt ze terug.

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – ,,Het moeilijkst was het als wanhopige mensen foto’s van hun vermiste familieleden in mijn handen drukten. Je weet niks en je kunt niks doen, behalve proberen te troosten. Ik had toen al het gevoel dat er niemand meer levend onder het puin vandaan zou komen, maar de familie niet. Ik voelde me dan zo machteloos. Maar ja, je kunt er ook niet jankend rond gaan lopen.

© Joe McNally, Faces of Ground Zero

Op een gegeven moment kregen die families een urn met ‘as’ van Ground Zero en zo’n in een driehoek gevouwen Amerikaanse vlag. Ik zag de vrachtwagen waarmee al die urnen werden gebracht. Het waren er zó veel. Toen besefte ik pas hoeveel mensen er gestorven waren.
In die weken was er geen chronologische tijd. Alleen maar flarden. Als ik nu terugdenk aan de eerste weken na de aanslagen, dan kan ik nog steeds niet zeggen in welke volgorde gebeurtenissen plaatsvonden. Raar eigenlijk, ik besef nu pas dat ik ook helemaal niet meer weet of ik maandagavond 10 september, mijn vaste avond bij de crisisdienst van het Rode Kruis, ben opgeroepen om mensen te helpen na een brand of noodgeval. Ik kan het me gewoon echt niet meer herinneren.
Wel weet ik dat ik de dinsdagochtend thuis in Queens was. Een vriendin belde me. Ze zei op gebiedende toon ‘zet de televisie aan’. Dat deed ik. Waaaat?!, dacht ik toen ik de beelden zag. Ik belde direct het Rode Kruis of ik kon helpen. In 2000, een jaar nadat ik vanuit Utrecht naar New York was gekomen om hier een danscarrière te starten, had ik me daar gemeld als vrijwilliger. Ik vond – en vind – het belangrijk om iets te doen waar een ander wat aan heeft. Maar na een uur realiseerde ik me dat ze wel belangrijker dingen aan hun hoofd hadden dan hun voicemail afluisteren. Ik ben toen gewoon downtown gegaan.
Op het randje van middernacht kwam ik aan en ging ik direct aan de slag. Er was een klein leger aan politie en brandweer, maar iets simpels als koffie was er niet. Maaltijden waren ook een probleem. Het Rode Kruis was er niet op toegerust om duizenden monden te voeden. Mede op mijn initiatief is toen geregeld dat cateringbedrijven werden ingehuurd. Mensen die bijna 24 uur per dag doorwerken moeten immers wel kunnen eten. Anders vallen ze om.
Hoe lang ik de eerste dag heb gewerkt, weet ik niet. Het zal 24 uur geweest zijn. Moe was ik niet. Of ik realiseerde het me niet. De weken daarna kwam ik niet thuis. Iedereen was heel lief voor elkaar. Iedereen wilde ook helpen. Ik mocht gratis een paar uur slapen en douchen in het hotel waar ik als serveerster werkte – niet dat het zin had, want je was meteen weer vies. En vrienden regelden dat mijn huurcheque op tijd bij de huisbaas kwam. Als ik aan het eind van mijn dienst achterin de open truck stapte die iedereen weer richting bewoonde wereld bracht, stonden er honderden mensen te juichen en te klappen. Voor ons! Dus ook voor mij. Dat vond ik toen zó raar. Maar ik kreeg er iedere keer weer kippenvel van.
Het weggaan was het moeilijkste moment van de dag. Ik wilde het werk niet achterlaten. Er moest altijd nog zoveel gebeuren; we waren nooit klaar. Vandaar dat het Rode Kruis op een gegeven moment ook heeft gezegd: nu móét je gaan. Zij hadden ook wel door dat de vrijwilligers nog weken door moesten werken en dat ze dan wel een paar uur rust nodig hadden. Wij deden ook belangrijk werk.
Na hectische maanden ging ik voor kerst 2001 even naar Nederland. Weggaan was lastig, maar achteraf was het voor mij goed om even los te komen van de hulpverlening. Thuis had iedereen hun eigen verhaal over 9/11. De rode draad: de angst om Melissa. Dat had ik me in New York geen moment gerealiseerd.
Toen ik vorige week boodschappen aan het doen was, zag ik mezelf ineens terug op de foto die bij Ground Zero van me was gemaakt. De tentoonstelling ging de wereld over. Tien jaar geleden kwam ik bij mijn chiropractor iemand tegen die me van die foto herkende. Ik voelde me er ongemakkelijk door. Het voelt toch als onverdiende aandacht. Mijn familie is wel enorm trots op mijn rol in de tentoonstelling, maar ze hebben de foto’s zelf nog niet gezien. Helaas zal mijn vader ’m nooit kunnen zijn. Drie jaar geleden is hij overleden.
Ik wist niet dat de portretten van alle hulpverleners nu weer tentoongesteld zouden worden. Ik werd direct weer teruggeworpen in de tijd. Confronterend, want toen pas realiseerde ik me dat het alweer tien jaar geleden is. Het voelt ergens ook wel als een afsluiting van een periode. Door 9/11 ben ik me New Yorker gaan voelen.”