BEWINDVOERDER BAKKER: MOEILIJK OM NU WEG TE GAAN BIJ IMF

In zijn viereneenhalf jaar als Nederlandse bewindvoerder bij het IMF zag Age Bakker het fonds veranderen van op-sterven-na-dood naar een cruciale speler in de financiële crisis. In deze turbulente periode heeft hij afscheid genomen. ,,Ik vergelijk mijn tijd hier met een rollercoaster: als je denkt dat je er bent, krijg je nog een laatste zwiep.”

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
WASHINGTON (GPD) – Toen Age Bakker 16 was, kreeg hij van zijn ouders 100 gulden en een treinkaartje naar Grenoble, waar hij zou gaan studeren. Toen hij in Parijs een tussenstop maakte, ging hij er ‘aan de boemel’. Na een nacht was de 100 gulden op. Pretoogjes: ,,Toen ben ik maar verder gereisd naar Grenoble.”
Die 100 gulden heeft hij misschien niet verstandig geïnvesteerd – of misschien wel, aangezien het hem na meer dan vier decennia nog pretoogjes bezorgt – maar toch zou Bakker (61) later topeconoom worden. Terwijl hij in zijn tienerjaren schrijver wilde worden. Lachend: ,,Dat is niet gelukt. Al heb ik inmiddels wel zeker tien economieboeken op mijn naam staan.”
De jonge Age was een vroege en pientere leerling en sloeg op het gymnasium een klas over. Daarom was hij pas zestien toen hij zijn diploma in ontvangst nam. Hij besloot Franse letterkunde te gaan studeren. ,,In die tijd was Frans heel belangrijk, vooral in Europa.” Het jaar in Grenoble was ‘bijzonder leuk’, zegt Bakker in zijn werkkamer in het gebouw van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) in Washington. ,,Maar ik heb er bijzonder weinig gestudeerd. Eerst waren er de Olympische Spelen, waar ik werd afgeleid door de Nederlandse schaatssuccessen. Later was er de meistaking, waardoor de universiteit dicht ging.” Bakker demonstreerde mee. ,,Ik had geen flauw benul waar het over ging, maar ik stond aan de kant van de studenten.”
Maar na het jaar in Grenoble moest er een degelijk vak worden geleerd. Hij koos, net als zijn beide ouders, voor economie. Het zou hem helemaal naar Washington brengen, naar zijn ‘droombaan’. ,,Hier komt alles samen: de economische theorie en het politieke beleid.”
Hij had al eerder geproefd aan het werk bij het IMF, toen hij onder Onno Ruding en Koos Polak – “de grand old man van het IMF” – tijdelijk in Washington werkte. ,,Ik wist het toen al: ooit wil ik op hun stoel zitten. Toen ik in 1989 mijn huidige vrouw ontmoette, stelde ik één huwelijkse voorwaarde: ik zou ooit nog wel naar Washington willen, ga je dan mee? Ik had altijd wel voor haar gekozen, maar ze vond het gelukkig geen probleem.”
In 2007 was het zover: hij werd de Nederlandse bewindvoerder. Bij het IMF kennen ze Bakker als ‘executive director’, een functie waarin hij de belangen van Nederland en twaalf andere, vooral Oost-Europese landen behartigt. ,,Toen ik hier kwam schrok ik van wat ik aantrof. De wereldeconomie deed het toen goed, er werden hardop vragen gesteld over het bestaansrecht van het IMF. De stafleden die na de crises in Azië waren aangenomen, waren blijven hangen. Ze schreven elkaar nota’s. De organisatie moest opgeschud worden.”
Terwijl zijn vrouw werk maakte van het verwelkomen van nieuwe stafleden en hun families (“zij kent meer stafleden dan ik!”) stapte Bakker het kantoor van Dominique Strauss-Kahn binnen, die een paar maanden na de komst van Bakker als directeur was begonnen, met plannen om het IMF af te slanken, een betere focus te geven waardoor het voor landen aantrekkelijker zou worden om bij het IMF aan te kloppen. Met succes. ,,Daardoor waren we er klaar voor toen de crisis kwam.”
Al zou er in die tumultueuze maanden nog een ongeplande leiderschapswissel volgen. Strauss-Kahn stapte op na beschuldiging van verkrachting. ,,Een drama, zowel voor hem persoonlijk als voor het IMF. Ondanks de reorganisatie was hij geliefd en hij heeft het heel goed gedaan. Hij was een bekwaam politicus en een goede econoom. De juiste man op de juiste plaats.” Bakker maakte zich sterk voor een snelle en sterke vervanger, dat werd Christine Lagarde. ,,Ik was daar heel nauw bij betrokken, heel erg nauw, mag ik wel zeggen. Ze heeft een vliegende start gemaakt en Strauss-Kahn doen laten vergeten.”
Bakker leeft voor zijn werk. Als hij zijn afscheid had kunnen ensceneren, dan had hij graag het eind van deze crisistijden nog meegemaakt. ,,Het is moeilijk om nu te gaan. Maar mijn vertrek stond al lang vast en ik heb gezien dat je ook te lang kunt blijven hangen. Dat is ook niet goed.”
Zijn laatste periode is in ieder geval niet saai geweest. ,,Ik vergelijk het met een rollercoaster (vertaling: achtbaan): net als je denkt dat je er bent, krijg je nog een laatste zwiep.”
Oekraïne, één van de landen die Bakker onder zijn hoede heeft, klopte drie dagen na de val van Lehman Brothers bij het IMF aan. Daar is hij blij mee. ,,In 2009 zakte de economie daar met 16 procent in. Maar nu hebben ze een groei van 6 procent.” Bakker had graag gezien dat Griekenland ook zo pro-actief was geweest. Dan was de situatie in Europa nu heel anders geweest, denkt hij. ,,In Griekenland bleven ze maar in de denial-stand (vertaling: ontkenningfase). Het land talmde maanden voor het toegaf dat het hulp nodig had. Terwijl de ervaring leert dat het alleen maar erger wordt. Europa draalde trouwens ook. Daar heerste de gedachte dat je als EU-land toch niet bij het IMF kon aankloppen.”
Al is het IMF ook niet helemaal brandschoon en daarvoor steekt Bakker de hand ruiterlijk in eigen boezem. ,,We zijn bij de waarschuwingen aan Europa tekort geschoten. Dat had duidelijker gekund.”
Bakker gooit er nog maar eens een Engelse uitdrukking in, die na vier jaar onderdompeling in die taal meer op het puntje van zijn tong ligt dan de Nederlandse: ,,There’s no use crying over spilled milk.” De vertaling: gedane zaken nemen geen keer.
Zijn functie was zwaar: altijd bereikbaar zijn en lange dagen op kantoor. ,,Het zwaartepunt ligt vanwege het tijdsverschil in de ochtend. Dan bel ik met Europa.” Inmiddels is Bakker een ochtendmens. Toen hij als student een half jaar onderzoek deed in Tunesië moest hij iedere ochtend héél vroeg opstaan om van half vier tot zeven uur met een tolk groente- en fruithandelaars te interviewen. Dat was zwaar. ,,Het voordeel toen: de rest van de dag had ik vrij.” Weer zijn daar die pretoogjes. ,,Nu is dat wel anders.”
En als Bakker voor het IMF op reis ging, waren de dagen nog langer. ,,Een tripje naar Curaçao klinkt leuk, maar ik ben wel van donderdagavond tot dinsdagnacht aan het werk. En woensdagochtend zit ik dan weer achter mijn bureau op kantoor. En ik ben de afgelopen jaren wel twaalf keer de oceaan over geweest.”
Bakker vond het nodig alle landen te bezoeken die hij vertegenwoordigt. Zoals toen Roemenië de hand ophield bij het IMF. ,,Roemenië heeft een slechte track-record (vertaling: reputatie) bij het IMF, hield zich vaak niet aan afspraken. Ik wilde niet dat mij dat zou overkomen.” Bakker stapte op het vliegtuig naar Boekarest en vroeg om een onderhoud met de president en de premier. ,,Ik heb ze toen op de man af gezegd ‘ik zit hier als jullie vertegenwoordiger en ik wil dat jullie je aan de afspraken houden’.” Zijn aanpak werkte. Roemenië is nu een succesverhaal. ,,Maar je begrijpt dat we straks niet veel zullen gaan reizen, ik heb daar wel even genoeg van gehad.”
Maar in Washington heeft Bakker het ‘geweldig leuk gehad’. Hij genoot van de multiculturele stad, ging samen met zijn vrouw naar experimenteel toneel, nam lessen jazzimprovisatie en in de weekenden fietste hij in 2,5 uur een heuvelachtig rondje Rock Creek Park. ,,Met dit werk en op mijn leeftijd is het belangrijk om lichamelijk fit te blijven.” Maar de ochtenden met zijn zoon waren misschien wel het meest memorabel, dankzij de regel dat in de VS ouders hun kinderen vanaf 16 jaar rijles mogen geven. ,,Twee jaar lang reden we samen iedere ochtend door de spits naar de internationale school, Feite achter het stuur van onze tweedehands convertible (vertaling: cabrio) en ik gaf hem aanwijzingen.”
Hoewel Bakker van iedere dag genoten zegt te hebben, verlangt hij naar ‘een andere versnelling’ – “van de vijfde naar de vierde” – door terug te keren naar hun huis in Bussum en de boerderij in Drenthe die hij van zijn grootouders erfde. In februari keert hij terug als hoogleraar aan de Vrije Universiteit, een leerstoel die hij al eerder vervulde en de universiteit speciaal voor hem vrijhield.
Ambieert Bakker, net als vader Joop, nog een politieke carrière, bijvoorbeeld als minister van Financiën of Economische Zaken? ,,Beslist niet. Ik heb in 2006 meegeschreven aan het CDA-programma en dat vond ik leuk. U vroeg eerder of ik niet de behoefte had om me af te zetten tegen mijn ouders door iets anders dan economie te studeren. Dat had ik totaal niet. Maar ik wist al op hele jonge leeftijd dat ik nooit de politiek in wilde. We waren allemaal trots op mijn vader en ik wil er niet over uitweiden, maar ik heb gezien wat voor beslag dat legde op ons gezin. Dat wil ik mijn gezin nooit aandoen.”
Zijn gezin is het enige dierbare dat nog over is gebleven in zijn gestripte werkkamer, op foto’s in de kast achter zijn bureau. De rest is al in een container onderweg naar huis. Bakker en zijn vrouw volgen morgen (2 oktober). ,,Zoals de Amerikanen hier tegen me zeggen: het leven begint bij 61.”

KADER:
– Age Feite Poppe Bakker werd op 15 juni 1950 geboren in Bolsward
– Vader was ARP-politicus en econoom Joop Bakker, die in de jaren zestig en zeventig minister van Economische Zaken en Verkeer en Waterstaat was. Moeder Mieke Vegter was eveneens econoom
– Studeerde Franse letterkunde aan de universiteit van Grenoble en economie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam
– Was onderdirecteur bij De Nederlandsche Bank en kroonlid van de Sociaal-Economische Raad
– Getrouwd met zangeres Klara, vader van een dochter Barbara van 31 (uit een eerder huwelijk van zijn echtgenote) en zoon Feite van 20. Barbara is psycholoog, Feite studeert wiskunde (economie vond hij ‘te makkelijk’)
– Nam afscheid als Nederlandse bewindvoerder bij het IMF
– Wordt hoogleraar financiële markten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam

Advertenties

VERKOCHT: SPOOKSTAD IN SOUTH DAKOTA

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
SCENIC (GPD) – De zwart-witte kat die midden op de weg ligt, voor wat ooit het tankstation was, lijkt te slapen. In werkelijkheid is het beestje doodgereden door één van de zevenhonderd auto’s die iedere dag door het plaatsje Scenic – aantal inwoners: acht – in South Dakota rijden.
Voor nietsvermoedende toeristen, op bezoek in het nabijgelegen Badlands National Park, klinkt Scenic – Engels voor ‘schilderachtig’ – aanlokkelijk. En als je over Main Street rijdt, waan je je ook op de set van een westernfilm. Maar wel eentje van tientallen jaren geleden die door de filmmakers is achtergelaten om te verkommeren.
Op de gevel van Longhorn Saloon uit 1906 staat een gastvrije boodschap: ‘indians allowed’ (indianen toegestaan). Het lijkt alsof een cowboy ieder moment de teugels van zijn paard om de balken voor de ingang kan wikkelen. De saloon belooft whisky, bier, wijn en tabak – geen sasparilla – maar de uitspanning is gesloten. Net zoals het postkantoor, de gevangenis en alle andere panden in het piepkleine plaatsje is de deur voorzien van een groot roestig hangslot. De pompen van het tankstation gaan schuil onder zwarte afvalzakken. Hier is geen benzine meer.
Toen Scenic in 1906 werd gesticht, was het vanwege de spoorlijn die er langs liep een welvarend plaatsje. Op het hoogtepunt woonden er 88 mensen en was er zelfs een hotel. Maar tijdens de Great Depression van de jaren dertig verdwenen de treinen. In de loop der jaren veranderde Scenic in een spookstad, waar de wind huilt en speelt met stukken hooi en dorre takken.
Daarom besloot Twila Merrill, die alle 46 hectare grond in Scenic bezit, het hele stadje te verkopen. Voor 799.000 dollar (583.000 euro). Makelaar David Olsen van Coldwell Banker wist niet wat hem overkwam. In plattelandsstaat South Dakota worden wel vaker grote stukken grond verkocht, maar een hele stad? ,,Dat had ik nog nooit meegemaakt.”
In 1963 kocht Merrill de saloon. Het was volgens haar vader een goede investering. Stukje bij beetje kocht ze alle 59 percelen op. Maar nu heeft ze kanker en vindt haar familie – zes van de acht dorpsgenoten – het tijd om hun woningen in Scenic te verlaten en dichter bij een ziekenhuis te gaan wonen. Het dichtstbijzijnde stadje ligt immers 70 kilometer verderop.
Olsen had niet verwacht dat het dorp verkoopbaar was. Maar dankzij publiciteit in Amerikaanse media die ‘te koop: een westernstad’ tot de verbeelding vonden spreken, werd de website van zijn plattelandsmakelaardij platgelegd door 20 miljoen bezoekers. Er volgden vijfhonderd telefoontjes. Honderd potentiële kopers werden er 25 en op het eind streden vijf kopers om Scenic. Merrill mocht de knoop doorhakken. ,,Als ze door haar ziekte niet zoveel haast had gehad, had ze het voor een veel hogere prijs kunnen verkopen.”
Wie het stadje heeft gekocht, mag Olsen niet zeggen. Ook niet wat die persoon met Scenic van plan is. Er is een geheimhoudingsclausule getekend. ,,Over een paar maanden maakt de koper zijn plannen bekend”, klinkt het mysterieus. Misschien duikt het plaatsje in de toekomst toch op als set voor een Hollywoodfilm vol cowboys.

ARMER DAN ALLEN BESTAAT NIET

Nog nooit was de Verenigde Staten – het ‘rijkste land ter wereld’ – armer dan nu. En in arm Amerika is er geen plek armer dan Allen in South Dakota.
(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
ALLEN (GPD) – Niemand heeft de moeite genomen de weg naar Allen te asfalteren. Auto’s uit het dorp in South Dakota zijn herkenbaar aan een dikke laag stof als het droog is en een dikke laag modder als het heeft geregend. En in de meeste voorruiten zit een een ster die zo groot is dat Carglass ’m onmogelijk nog kan repareren. Soms dringt de rottende lucht van ‘roadkill’ de auto binnen. En de term ‘huis’ is te veel eer voor de krakkemikkige hutjes die langs de onverharde Allen Road staan.
Het klinkt niet als een fijne plek om te wonen. En dat is het ook niet. Allen, op de rand van het Pine Ridge indianenreservaat van de Oglala Lakota Sioux, weggestopt achter de schoonheid van Badlands National Park in South Dakota, is de armste plaats in de Verenigde Staten.
De armoede van Allen is pijnlijk zichtbaar. Niet alleen aan de slecht onderhouden huisjes en auto’s die twintig jaar geleden al antiek waren, maar vooral als je naar de gebitten van de inwoners kijkt. John Whirlwind Horse, die zes dagen per week het postkantoor draaiende houdt, mist de helft van zijn bovengebit. De tanden van Justin Poor Bear (what’s in a name) gaan schuil onder een dikke laag tandplak. Dezelfde genen die jonge vrouwen in Allen tienermeisjes laten lijken, hebben zich tegen Martha Dubray gekeerd. Ze is 67 – stokoud naar de maatstaven van Allen – maar ziet er dankzij een huid die op gelooid leer lijkt nog eens decennia ouder uit. Ze heeft geen tanden meer. En ook geen kunstgebit. Maar veel erger vindt ze het dat ze deze maand niet kan koken en dat het ze het zonder verwarming moet stellen. Toen van haar uitkering van 416 dollar (303 euro) de huur van 150 dollar (109 euro) en alle rekeningen waren betaald, had ze geen geld meer over om de propaantank bij haar huis te laten vullen.
Vorige week maakte het Amerikaanse bureau voor de statistiek de meest recente armoedecijfers bekend. In 2010 leefde 15,1 procent van de Amerikaanse bevolking onder de armoedegrens, die voor een gezin met twee kinderen is vastgesteld op een jaarinkomen van 22.350 dollar (16.250 euro). Dat klinkt erger als je hoort hoeveel mensen dat zijn: 46,2 miljoen. Dat is bijna drie keer het aantal inwoners van Nederland. Miljoenen Amerikanen zijn afhankelijk van bijstandcheques en voedselbonnen. En de werkloosheid neemt alleen maar toe, waardoor de armoede nijpender wordt. Het is een vicieuze cirkel.
Maar nergens is de armoede erger dan in Allen. Jaar in, jaar uit komt dit plaatsje met 400 inwoners als allerarmste uit de bus. Een paar deprimerende statistieken: bijna iedereen is hier werkloos, de overgrote meerderheid lijdt door slechte eetgewoonten aan suikerziekte, het zelfmoordcijfer is het hoogste van de staat, de gemiddelde man wordt er niet ouder dan 40 en meer dan 96 procent leeft ver onder de armoedegrens: hier moeten ze met gemiddeld 4000 dollar (2900 euro) per jaar rondkomen.
En dat lukt dus niet, weet Marla Flood. Ooit droomde ze bescheiden dromen over doorleren en een baan als secretaresse. Nu is ze 21 – al kan ze met gemak doorgaan voor 12 – is ze alleenstaande moeder en heeft ze haar middelbare school niet eens afgemaakt. Haar vader ging onverwachts dood en toen zag Flood het nut van leren niet meer in. En banen zijn er niet in Allen. Dus is ze nu, zoals bijna al haar dorpsgenoten, afhankelijk van een uitkering. Om haar 342 dollar (249 euro) per maand te krijgen, kookt ze iedere dag in het gemeenschapscentrum van Allen maaltijden voor senioren als Martha Dubray. Een dagelijkse uitdaging, want Flood woont 7 kilometer buiten de dorpskern en vervoer heeft ze niet. Ze is afhankelijk van mensen die haar een lift geven of ze moet lopen. Maar ze móét, want komt ze niet, dan krijgt ze geen uitkering. En zonder dat geld kan ze niet voor de tweejarige Mariah (vernoemd naar de zangeres) zorgen.
Meisjes in Allen worden vroeg moeder. Niet alleen omdat seksuele voorlichting niet wordt gegeven op de scholen die op het reservaat staan, maar ook omdat ieder
kind meer geld oplevert. ,,Je wilt niet weten hoe vaak ik hier meisjes van 14, 15 op de stoel heb gehad die op mijn vraag wat hun doel was bloedserieus antwoorden: ‘Nog een kind! En nog één!’”, zegt Gayle Kocer, de burgemeester van Martin, 30 kilometer verderop, die daar programma’s voor jongeren en verslaafden leidt. ,,Die kinderen komen ook weer in een uitzichtloze situatie terecht – niet zelden worden ze weggehaald bij hun alcoholistische moeders – en zo wordt de situatie in Allen in stand gehouden.”
Justin Poor Bear ziet het met lede ogen aan. Hij is manager van de enige winkel in het dorp: de Allen Store. ,,Waarom geeft de regering geld aan Afrika terwijl wij het hier nog harder nodig hebben?” Van president Obama verwacht Poor Bear niks. ,,Al zijn beloften bleken loos. En denk je nu echt dat zijn nieuwe banenwet Allen zal helpen? Kom op zeg. Dat is in het verleden ook niet gelukt.”
Als tweede baan zorgt Poor Bear dat de leerlingen op de American Horse-school niet spijbelen. ,,Ze dromen van een carrière als basketbalspeler bij de Tar Heels of als footballspeler bij de Blue Devils. Maar de scouts van die universiteitsteams komen niet naarAllen. Niemand durft hier naartoe te komen. Ze denken dat het hier gevaarlijk is, met al die criminaliteit en drugs- en alcoholmisbruik.”
Iedere 1ste en 15de van de maand, nadat de bijstandscheques in de postbussen van het postkantoor van Allen zijn gestopt, gaan de meeste mensen hiermee linea recta naar de slijterij 15 kilometer verderop. Alcohol kan op het reservaat dan wel verboden zijn, de inwoners van Allen laten zich hun drank niet ontnemen. Vrijwel iedereen heeft een strafblad en is óf verslaafd óf afgekickt.
,,Ze zijn zó afhankelijk van die cheques”, weet Kocer van het verslavingscentrum in Martin. ,,Zonder dat geld zouden ze verhongeren, daar ben ik van overtuigd. Maar binnen twee dagen is dat geld op. En dan hebben ze de rest van de maand niks meer.” Verslaafden komen sowieso niet in aanmerking voor een baan, want iedere werkgever eist dat sollicitanten met een drugstest aantonen dat ze ‘clean’ zijn. En drugs (vooral marihuana en een beetje cocaïne) en alcohol leiden weer tot huiselijk geweld en kindermisbruik.
Poor Bear (31) werd als jochie van vijf maanden door zijn grootmoeder weggehaald bij zijn ouders, die hem sloegen en sigarettenpeuken op hem uitdrukten. ,,Daar ben ik mijn oma nog iedere dag dankbaar voor.” Want hij mag dan ook op zijn 16de al voor het eerst vader zijn geworden, daarna deed hij zijn best om zich omhoog te werken. Met succes. De Allen Store mag dan niet veel voorstellen, de dorpswinkel loopt wel goed. ,,Ik wil een beter leven voor mijn kinderen. Dat wil toch iedere ouder?”
Ook Nicole Bear Hills probeert haar zes kinderen het goede voorbeeld te geven. Zij en haar man Quinten Red Bear behoren tot het handjevol gelukkigen dat een fulltime baan heeft. Zij leidt op het reservaat een programma tegen huiselijk geweld, hij werkt als cultuurdocent op de school. ,,Niet dat we daarmee boven de armoedegrens komen hoor”, zegt ze vanaf het trapje van haar huis waar ze samen met haar man, drie honden en zes kinderen (drie van haar, drie van hun beiden) woont. De kleinsten, gestoken in verwassen kinderkleren vol vlekken, lurken in de septemberzon aan een invrieswaterijsje. De ouderen zitten binnen bij de tv. ,,Een geluk: de satellietschotels zaten al aan het huis toen we er drie jaar geleden introkken”, zegt Red Bear. ,,Anders hadden we dat niet kunnen betalen.”
Voor luxe is geen geld, hier aan Allen Road. Maar geen haar op het hoofd van de familie dat denkt aan vertrekken. ,,Dit is toch thuis.”
Jonge moeder Marla Flood kent ook een leven buiten Allen. Ze vertrok als achttienjarige naar buurstaat Nebraska om er aan de lopende band te werken. Toen de fabriek naar Iowa verhuisde, verhuisde Flood mee. Ze vond het ‘awesome’ (geweldig) en haar ogen lichten op als ze erover praat. ,,Ik verdiende 15 dollar per uur en had mijn eigen appartement. Ik kon echt goed voor mezelf zorgen”, klinkt het trots vanuit de keuken van het troosteloze gemeenschapscentrum van Allen. Maar ja, toen raakte ze zwanger en verlangde ze terug naar haar familie. Weg eigen appartement: nu delen zij en haar dochtertje één van Allens houwtje-touwtje-huizen met twaalf anderen, onder wie haar moeder en zus.
Ooit hoopt ze alsnog haar middelbare school-diploma te halen en verder te leren, zodat ze ‘een echte baan’ kan krijgen. Liefst ver weg van Allen. Ze klinkt slim en vastberaden genoeg om het voor elkaar te krijgen. Maar de kans is groter dat ze op haar dertigste wakker wordt, Mariahs broertjes en zusjes ziet rondlopen en zich realiseert dat het geluk van haar kinderen minder belangrijk is dan de verleiding van alcohol. Zo gaat het immers al decennialang in Allen.

DE DAG WAAROP ALLES ANDERS WERD, 10 JAAR LATER

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Tien jaar geleden veranderde een zonnige dinsdag in 102 minuten in de zwartste dag uit de geschiedenis van Amerika. Gisteren werd daar op zes momenten bij stil gestaan – letterlijk en figuurlijk. Een impressie van wat er dit jaar rond Ground Zero op straat gebeurde op de tijdstippen die in het Amerikaanse geheugen staan gegrift.

* 08.46 uur: American Airlines vlucht 11 vliegt in de noordtoren van het WTC
De priester in St. Paul’s Chapel luidt de ‘Bell of Hope’. De grote klok staat buiten op het grasveld achter de kerk, die na 9/11 voor zoveel brandweermannen en vrijwilligers een rustpunt was.
Zuster Grace werkte destijds maandenlang in het stokoude kerkje dat als door een wonder op die 11de september ongeschonden bleef. Nu staat de non in een crèmekleurig habijt en met een groot houten kruis om haar nek bij de poort en heet ze bezoekers welkom. ,,Ik voelde me toen machteloos: kon niks anders doen dan bidden en een ‘hug’ (knuffel) geven. Ik zie één brandweerman nog op de kerkbank liggen, met een teddybeer in zijn armen geklemd.”

* 09.03 uur: United Airlines vlucht 175 boort zich in de zuidtoren van het WTC
John Coburn doopt zijn pen in zwarte inkt en zet de eerste streep op het witte papier. Omringd door nerveuze politieagenten tekent hij St. Paul’s Chapel. Net na 11 september 2001 verruilde de kunstenaar Canada voor New York.
Met inkt tekende hij er de taferelen van destijds, ook op plekken waar fotografen niet werden toegelaten. Nu wordt zijn werk op een steenworp afstand tentoongesteld; nabestaanden kregen zijn gebundelde tekeningen al eerder cadeau. Recent brandde zijn atelier af. Alleen de originele tekeningen die Coburn tijdens drie weken op Ground Zero maakte, bleven gespaard. ,,Ik denk dat ze zo doordrenkt waren van emotie dat het vuur er geen vat op kreeg.”

* 09.37 uur: American Airlines vlucht 77 crasht in het Pentagon
Op het moment dat tien jaar geleden het derde vliegtuig neerstortte, wandelen rechercheurs Bruno en Dress (voornamen mogen ze van de NYPD niet geven) een broodjeszaak binnen. Ze hebben tien minuten pauze en spenderen dat aan een zakje chips en een yoghurt met muesli.
Normaal gesproken houden ze zich bezig met georganiseerde misdaad, maar vanwege de terreurdreiging surveilleren ze in uniform op straat. Dress was tien jaar geleden nog geen agent. Bruno zat op de politieacademie en werd direct naar Ground Zero gestuurd om te helpen. ,,Ik herinner me alles, maar erover praten is moeilijk.” De politie werd na die dag overspoeld met respect. Daar merken agenten nu niks meer van, zegt Dress. ,,Vandaag is dat weer even terug.”

* 09.59 uur: De zuidtoren stort in
Bij één van de talloze checkpoints rond Ground Zero doorbreekt het gepiep van draagbare metaaldetectors de stilte. Iedereen die naar binnen wil, wordt gecontroleerd en moet zijn of haar paspoort laten zien. Een ongeduldige politiehond blaft.
Achter grote, witte betonblokken van de New Yorkse politie staat een eenzame man. Hij houdt een mast met twee vlaggen omhoog: de vlag waarop alle namen van de slachtoffers staan en de Amerikaanse vlag. Een stil eerbetoon. Verderop houden twee zwaarbewapende agenten vanaf een dak een oogje in het zeil. Vanaf andere daken schijnt het felle licht van talloze televisiecamera’s.

* 10.03 uur: United Airlines vlucht 93 stort neer in Shanksville
Kleine Stars and Stripes werden gisteren op iedere straathoek uitgedeeld, maar Patrick (7) heeft er geen. Brandweercommandant Anthony Catalanotto uit de Bronx hoort het jengelende kind en geeft hem zijn vlaggetje. Moeder Trish O’Neill geeft een dankbare hand. ,,Zonder jullie was Patrick er nooit geweest.” O’Neill werkte in de buurt van de torens en zag hoe het tweede vliegtuig in de zuidtoren vloog. Later zag ze mensen uit het brandende gebouw springen. Ze wil beschrijven hoe het was, maar ,,ik heb er geen woorden voor”. De brandweer spoorde haar aan om weg te gaan. ,,Daarom heb ik het overleefd.”

* 10.28 uur: De noordtoren stort in
Alsof iedere brandweerman van kazerne 10, pal aan Ground Zero, een ingebouwde wekker heeft, stellen ze zich precies op tijd in rijen op.
Op het commando van hun commandant heffen ze hun wit gehandschoende hand naar de wenkbrauw, een saluut aan alle New Yorkse brandweermannen die tien jaar geleden voor het laatst uitrukten. Op zaterdag werden zij al geëerd tijdens een kerkdienst in St. Patrick’s Cathedral aan Fifth Avenue. De stroom vlaggen – 343, voor iedere omgekomen collega één – leek oneindig. Vandaag dragen zes brandweermannen van Fire House 10 een zwarte sjerp met in zilveren letters de namen van collega’s van hun eigen korps.

SHANKSVILLE EN 9/11: VERBONDEN TEGEN WIL EN DANK

Terwijl de schijnwerper gisteren gericht stond op New York, opende Shanksville vijfhonderd kilometer verderop het monument voor vlucht 93. Tegen wil en dank.
(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
SHANKSVILLE (GPD) – Je auto volgooien in Shanksville? Vergeet het maar. Het dorpje aan de rand van het Allegheny-gebergte in Pennsylvania is zo klein dat zelfs aan een volle tank – een belangrijke Amerikaanse levensbehoefte – niet kan worden voldaan.
De kleine 250 inwoners woonden in een sereen dorp. Maar na 11 september 2001 was het gedaan met de rust. Om 10.03 uur stortte United Airlines vlucht 93 neer in een weiland en maakte zo in één klap een einde aan een kaping die in het Capitool van Washington had moeten eindigen en aan 44 mensenlevens; 33 passagiers, 7 bemanningsleden en 4 kapers. 
Donna Glessner voelt de grond nog schudden als ze er over praat. Met haar kinderen keek ze die ochtend op de tv naar de ramp die zich ver weg in New York en Washington voltrok. Ze dacht dat het een aardbeving was. Daarna dat het een ‘gewoon’ ongeluk was, met een nog ongelukkiger timing. De werkelijkheid bleek erger.
Nu is Glessner (53) één van de ‘Ambassadors’, een team vrijwilligers uit Shanksville die in diensten van twee uur antwoord geven op vragen van mensen die de plek waar het vliegtuig crashte bezoeken. Ze vindt het een roeping, maar wel eentje waaraan ze niet zo makkelijk gehoor gaf. Veel van haar dorpsgenoten nemen het haar niet in dank af. ,,Zij zeggen dat ze niet om de aandacht hebben gevraagd. Ze willen hun ‘small town’ terug.”
Alle beschrijvingen van de locatie waar de vierde Boeing op die 11de september neerstortte, zijn hetzelfde: een veld op het platteland van Pennsylvania. De typering slaat nog steeds de spijker op z’n kop. Zelfs met een TomTom is de plek makkelijk te missen. Er staat maar één bordje dat de weg wijst. Shanksville trekt dan ook niet miljoenen bezoekers zoals Ground Zero, maar een paar duizend mensen wekelijks het weten te wel vinden.
Zij zien een tentoonstelling die ingericht is in het roestige golfplaten schuurtje van waaruit de FBI het raadsel van de crash probeerde op te lossen. Blikvanger is het vogelhuisje dat de zus van Richard Guardagno, één van de slachtoffers, voor hem maakte. Omdat hij zo van de natuur hield. Aan een andere muur hangen briefjes van bezoekers. ‘Bedankt dat jullie de school niet hebben geraakt’, staat op de meeste. Als het vliegtuig die dinsdagochtend een paar honderd meter op dezelfde koers was doorgevlogen, had het de basisschool van Shanksville-Stonycreek geraakt. 
Het verhaal van vlucht 93 is bekend en verfilmd: de dappere passagiers en bemanning die in opstand kwamen tegen de kaping. De kapers besloten daarom de Boeing in het veld te boren, uit angst dat ze de controle over 3het vliegtuig zouden verliezen. Zo raakte Shanksville voor altijd verbonden met 9/11. Tegen wil en dank.
Dat maakt volgens Park Ranger Jeff Reinbold, de baas van het monument, de relatie tussen nabestaanden en Shanksville ook zo’n moeizame. ,,Er is geen inwoner van Shanksville omgekomen, dus ze hebben niks met elkaar gemeen.” Hij hoopt dat het gisteren ingewijde officiële memorial er wel in slaagt een brug te slaan.

9/11 COLUMN – HET LEVEN GAAT DOOR

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Vanaf het tijdschriftenrek bij de New Yorkse versie van de Etos kijkt een meisje met rood haar en sproeten me aan. Ze staat op de cover van People Magazine, normaal voorbehouden aan de goden van Hollywood. Tussen duim en wijsvinger houdt ze een medaillon dat aan een kettinkje om haar nek hangt. Het toont de beeltenis van een man.
Haar naam is Lauren McIntyre, lees ik op pagina 62. Ze is 9. De man op het fotootje is haar vader, Donald. Hij overleed op 11 september 2001, maar daar heeft Lauren niks van gemerkt. Zij zat toen nog veilig in de buik van haar moeder.
De ‘kinderen van 9/11’ werden na de aanslagen een symbool voor hoop. De afgelopen tien jaar werden ze gevolgd bij hun eerste schooldag, hun eerste honkbalwedstrijd en dansuitvoering. Het teken dat het leven ook na zo’n vreselijke aanslag gewoon doorgaat.
Daarom konden er ook al snel grappen worden gemaakt over de aanslagen. Een voorbeeld: ‘Heb je de aanbieding van American Airlines gezien? Ze vliegen je nu direct van het vliegveld naar kantoor’. Cru, maar humor is nu eenmaal een manier om te relativeren.
Voor Arabisch-Amerikaanse komieken ligt dat gevoeliger. Dean Obeidallah, zoon van een Palestijnse vader, voelde zich tot 11 september 2001 een ‘white guy’, zei hij donderdag in een klein theater aan de New Yorkse East Side, maar na die datum was dat anders. Als reactie op de beeldvorming na 9/11 organiseert hij over een paar weken voor de achtste keer het Arabisch-Amerikaanse comedy-festival. Worden daar ook grappen gemaakt over de aanslagen?, vraag ik. Obeidallah kijkt me aan of ik gek ben. ,,Lachen om zo’n tragedie, dat kun je nabestaanden toch niet aandoen?”
Brandweercommandant Jim Riches, eigenaar van het vriendelijkste gezicht dat ik ooit heb gezien, is zo’n nabestaande. Hij vertelde me een paar maanden geleden hoe hij op 25 maart 2002 het lichaam van zijn zoon Jimmy, ook brandweerman, uit de puinhopen van Ground Zero droeg. ,,Het gemis blijft, maar hij zou willen dat ik doorga met leven.” Dat doet hij voor Timmy, Danny en Thomas – zijn andere zonen – die alledrie na 9/11 bij de brandweer gingen.
Ook Lauren zal heus goed terechtkomen. Ik lees dat haar oudere zus Caitlyn het er moeilijker mee heeft. Zij kan zich haar vader nog echt herinneren. Lauren moet het medaillon dragen om het gevoel te hebben dat hij bij haar is. De vader die ze nooit levend heeft gezien.

RUBRIEK STANDPLAATS – DE ERFENIS VAN 9/11

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Vorig jaar stond ik op 11 september samen met Geert Wilders op Ground Zero. Dat klinkt gezelliger dan het was. Hij kwam namelijk demonstreren tegen de bouw van een moskee, ik – krap een week op mijn standplaats – deed er verslag van. Wilders sprak er schande van dat moslims dáár een moskee wilden bouwen, zo dicht bij de plek waar geloofsgenoten met dezelfde koran in de hand duizenden mensenlevens hebben verwoest.
Nu is enige islamfobie ook de Amerikanen niet vreemd, al kijkt de doorsnee New Yorker niet op van een gehoofddoekte vrouw of een man met een islamitisch gebedsmutsje op. Vrijheid van godsdienst is de basis van de Verenigde Staten; de puriteinen hebben er Engeland in de 17de eeuw niet voor niets voor verruild. Liever een religie dan géén religie, laten opiniepeilingen hier altijd zien.
Niet de islam, maar moslimterrorisme is de reden dat vliegen veranderd is in een spelletje strippoker (met als prijs een stoel in een vliegtuig!) en dat de stem van Janet Napolitano, minister van binnenlandse veiligheid, om de paar minuten mensen in de metro van Washington oproept om verdachte zaken te melden. Een mannenstem doet in de metro’s en treinen van New York hetzelfde. Vroeger was een eenzame koffer gewoon een koffer, nu is het een potentiële bom. Uit de nalatenschap van 9/11.
Op strategische plekken in de stad – op Grand Central en Penn Station, de twee grootste stations in New York, en Wall Street – staan altijd politieagenten, af en toe afgewisseld door militairen. Soms met een hond (niet het aaibare ras), altijd zwaarbewapend. Ook staan in de stad verschillende apparaten die waarschuwen als ze nucleaire straling detecteren (heus waar, ik wist het ook niet). En eens in de zoveel tijd duikt er ergens een verdacht pakketje op. Het is vrijwel altijd loos alarm (afkloppen), maar je zou er bang van worden.
Maar New Yorkers zijn er laconiek onder. Zij maakten na die zwartomrande zonnige dinsdag 11 september 2001 snel de omslag. Na de ontzetting en het hevige verdriet kwam de doordouwersmentaliteit. Hup, de schouders eronder en dóór! Burgemeesters Rudy Giuliani (toen) en Michael Bloomberg (nu) gaan er prat op: New Yorkers, dat is een bijzonder slag mensen.
Ze realiseren zich dat New York het symbool is van de westerse wereld en dat de iconische wolkenkrabbers een doelwit zullen blijven. Dat is een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven geworden, zoals de eeuwige rij bij de Starbucks en de stomerij die altijd nét dicht zit als je je kleren op wilt halen.
Bij dat dagelijks leven hoort ook een leger aan politieagenten. Burgemeester Michael Bloomberg klonk bijna trots toen hij bij een presentatie over het nieuwe World Trade Center, afgelopen woensdag, vertelde dat vanuit het nieuwe politiebureau in één van de wolkenkrabbers duizend (1000!) agenten van de NYPD en de Port Authority (de eigenaar van het WTC-complex) de veiligheid gaan bewaken.
Ook tijdens de herdenking van morgen zullen ze weer massaal te zien zijn rond Ground Zero, maar de agenten hoeven dit jaar geen orde te houden bij een anti-moskee-demonstratie. De bouwplannen voor het islamitische centrum zijn er nog steeds, maar je hoort er nu niks meer over. Geloof ook niet dat Wilders morgen is uitgenodigd.

9/11 – IN TIEN JAAR VAN HELD NAAR SLACHTOFFER

Als één van de eersten stond hij op de puinhopen van Ground Zero. Nu is hij ziek. Net als agenten, ambulancepersoneel en brandweermannen die hun werk deden. Vakbondswerker John Devlin gaf zich vrijwillig op om te helpen. Hij ging van held naar slachtoffer, maar zijn kanker wordt niet door de overheid erkend. ,,Ik hielp omdat ik van mijn land hou, maar mijn land houdt blijkbaar niet van mij.”

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
BRIGHTWATERS (GPD) – John Devlin was nooit ziek. Had niet eens een huisarts. Ging graag skiën op de pistes van Aspen, Colorado, deed aan vechtsport en speelde softbal. Hij had het eeuwige leven. Hád. Nu woont hij praktisch in het ziekenhuis. Volgens prognoses van zijn artsen had hij al een jaar dood moeten zijn.
Maar hier zit hij dan nog, thuis in Brightwaters op Long Island, op de bruine suède hoekbank van het type dat met de juiste beweging verandert in een ligstoel. Naast hem ligt Buster, een teckel die denkt dat hij een Dobermann is. Boven de bank herinnert een houten bordje met ‘gone skiing’ aan zijn vroegere hobby. Zijn dunne blonde haar is bijeengebonden in een staartje. Zijn voeten zitten in zwarte leren motorlaarzen met zilveren beslag. Op de inrit staat een pick-up truck met op de portieren de sticker ‘RS11’: Remember September 11th. De Ford is zo groot dat hij het gevoel geeft alsof je in een huis rondrijdt. Het zijn de weinige pleziertjes sinds Devlin (50) zijn leven begin 2009 compleet zag instorten. ,,Toen de dokter zei dat ik keelkanker had, wilde ik hem slaan.”
Voor wie hem niet kent, oogt hij gezond. Maar een paar jaar geleden was hij nog twintig kilo zwaarder en had hij bovenarmen waar zijn huidige exemplaren twee keer in zouden passen. Zijn stem verraadt zijn ziekte al voor Devlin er zelf iets over heeft kunnen vertellen. Na ‘ontelbare’ operaties, 33 bestralingen en acht chemokuren moest hij opnieuw leren praten. Zijn stem klinkt alsof het uit een computer komt. Soms grijpt hij midden in een zin naar een flesje water. Speeksel maakt hij niet meer aan, de klieren die dat deden zijn er niet meer. Af en toe loopt hij de woonkamer uit om zijn inhalator te gebruiken. Ook zijn longen zijn stuk. Eigenlijk moet Devlin aan de sondevoeding, want eten gaat lastig. Voortdurend komen er stukjes voedsel in zijn longen terecht die daar ontstekingen veroorzaken. Devlin vreest dat één zo’n longontsteking uiteindelijk zijn einde zal betekenen.
Spijt heeft hij niet. Zelfs met de kennis van nu zou hij naar Ground Zero zijn gegaan om te helpen. ,,Als patriot was dat mijn plicht. Maar als zoiets nog een keer gebeurt ben ik de eerste die het anderen ontraadt.” De overheid in Washington weigert Devlin en de honderden anderen die na maanden op Ground Zero ziek werden te compenseren. Devlin was één van de grote voorvechters van de Zadroga-wet – genoemd naar de NYPD-agent die stierf aan een longaandoening die hij opliep na 9/11 – die ervoor zorgt dat de helden die slachtoffer werden een vergoeding krijgen. Met succes. De wet werd ondanks Republikeinse tegenstand begin dit jaar aangenomen. Maar eind juli werd besloten dat kanker van de wet wordt uitgesloten. Een enorme klap voor Devlin.
Op 11 september 2001 zat hij in zijn auto toen hij hoorde dat er een vliegtuig in één van de Twin Towers was gevlogen. Thuis zag hij beide wolkenkrabbers instorten. Devlin, machinist van graafmachines, bulldozers en andere machinerie, dacht aan de duizenden mensen die gevangen zaten onder het puin en wilde helpen. Op woensdag 12 september ging hij voor het eerst naar Ground Zero. Ruim negen maanden werkte hij er twaalf uur per dag, zeven dagen per week. In totaal, zo becijfert hij, 3200 uur.
In het begin zocht hij naar lichamen. Aan de andere kant van de hekken stonden radeloze familieleden die hem constant foto’s van hun man, vrouw, dochter, zoon in de handen drukten. Devlin haalt ze als voorbeeld uit een plastic hoes. ,,Later volgden we de vliegen. Nog later zochten we alleen maar naar botten.” Maandenlang stopte Devlin lichaamsdelen in blauwe lijkenzaken. ,,Ik veegde ze op alsof het bladeren waren.” Hij zegt het emotieloos, maar het doet hem heus wel wat. ,,Ik heb als kind genoeg doden gezien. Mijn vader stierf aan mijn voeten aan een hartaanval. Maar dit was te veel. Eén nacht ben ik ingestort.” Aan de baai in de buurt van zijn huis zat hij minutenlang te huilen. Toen ging de knop om. ,,Mensen waren op zoek naar hun dierbaren. Ik kon daarbij helpen. Ik moest doorgaan.”
Het was als een laagjestaart, beschrijft Devlin. Het glazuur was het puin en stof. Daaronder lagen de lichamen. Met zijn graafmachine groef hij een brandweerauto vol met brandweermannen uit. Sommigen intact, sommigen in stukken. De volgende laag bestond uit botten. Ribbenkasten, bekkens, schedels en schoenen. Ontelbare schoenen. De basis van de taart bestond uit nog meer puin. Toen de ‘laagjestaart’ binnen een jaar opgeruimd was, kwam er groen en geel slijm uit de neus van Devlin. Hoesten, hoesten, hoesten. En hij had plots astma. ,,En de overheid maar zeggen dat de lucht schoon was… Maar ja, met astma kun je leven.”
Met een posttraumatische stress-stoornis leven bleek een stuk moeilijker. Als ze cijfers hadden uitgedeeld voor de test die Devlin moest invullen, was dat een 10 geweest. In dit geval geen rapportcijfer waar je trots op mag zijn. Zijn huwelijk liep in 2007 na ruim twintig jaar op de klippen. Hij vond nieuw geluk bij verpleegkundige Nancy Nyhuis. Als er nog wat van de posttraumatische stress over was, zegt Devlin, dan is het uitgeveegd door de kanker. In november 2008 kreeg hij een zere keel. De keelpijn ging maar niet over. Hij ging naar een dokter, die het afdeed als maagontsteking. Toen Devlin in januari 2009 bij de specialisten van het Stony Brook ziekenhuis binnenstapte, bleek de werkelijkheid erger. Zijn artsen gaven hem zes maanden.
Keelkanker is een ziekte die zich manifesteert bij verstokte rokers en een enkele alcoholist. Devlin had nog nooit in zijn leven gerookt. Een grote drinker was hij ook niet. Devlin haalt een stapel brieven uit een zwarte koffer. Stuk voor stuk zetten zijn artsen – longarts, KNO-arts, oncoloog – zwart op wit dat de ziekte van patiënt Devlin naar hun professionele mening veroorzaakt was door maandenlange blootstelling aan de rookwolken en giftige dampen op Ground Zero. De staat New York nam die constatering over. Hierdoor krijgt Devlin maandelijks een uitkeringscheque van 3100 dollar (2200 euro). Nauwelijks genoeg voor de alimentatie voor zijn dochter (16) en studerende zoon (20) en om zijn nieuwe gezin (Nyhuis heeft drie kinderen) te onderhouden, maar veel te weinig voor de ziekenhuisrekeningen, die optellen tot zo’n 700.000 euro.
Daarom is het ook zo zuur dat Devlin naast de vergoedingen uit de door hem bevochten Zagroda-wet grijpt. ,,Is het nou uit te leggen in Nederland? Dat je maandenlang je ziel en zaligheid legt in het opruimen van de puinhopen. Dat je kanker krijgt. Dat al je artsen zeggen dat het van Ground Zero komt. Maar dat de regering dat ontkent? Ik hielp omdat ik van mijn land hou, maar mijn land houdt blijkbaar niet van mij.”
Hij wrijft over zijn getatoeëerde onderarmen. Op de rechter staat een goede geest die een kwade geest verjaagt. Een tattoo uit een indianenverhaal; Devlins moeder was half Cherokee. De tatoeage op de linker heeft hij na zijn diagnose laten zetten. ,,Het is de aartsengel Michaël die vecht tegen de duivel. Maar als ik er naar kijk, zie ik mijn strijd tegen kanker.”
Devlin zegt nu geen toekomst voor zichzelf te zien. Nancy heeft hij weliswaar ten huwelijk gevraagd, maar hij zal pas met haar trouwen als de onkosten voor zijn ziekte door de overheid worden betaald. ,,Ik wil niks waar ik geen recht op heb. Ik wil heus geen miljonair worden. Maar ik verdien beter. En alle anderen ook.” Hij strijdt ook voor zijn kameraden die al zijn overleden of te ziek zijn om zelf te vechten. ,,Ik hoop alleen dat ik lang genoeg leef om gerechtigheid mee te maken.”

9/11 – DE ZOEKTOCHT NAAR ‘THE FALLING MAN’

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Als Tom Junod zijn huis in Atlanta verruilt voor een bezoek aan zijn eindredacteur van maandblad Esquire in New York, kijkt hij altijd even naar de blauwe hemel boven Lower Manhattan. Daar, waar tot 11 september 2001 de Twin Towers hun schaduw over de zuidpunt van het eiland wierpen, ziet hij dan altijd nog die man zweven.
De foto is even bekend als hij gruwelijk is. Een man die ondersteboven, met de noordtoren op de achtergrond, ter aarde stort. Zijn linkerbeen licht gebogen, zijn armen strak langs zijn lichaam. Hij heeft een zwarte broek aan, zwarte schoenen en een wit overhemd.

Gemaakt op die dinsdagochtend, om exact 09.41.15 uur, werd deze foto van AP-fotograaf Richard Drew het icoon voor iedereen die tijdens de aanslag van ‘9/11’ niet bleef wachten op de zekere dood. Deze ‘jumpers’, springers, namen het heft in eigen hand. Miljoenen tv-kijkers wereldwijd zagen hoe het ene na het andere stipje langs de brandende torens raasde. Maar in Amerika bleef het jarenlang een groot taboe.
Totdat Junod (53), een journalist die voor zijn werk al vele onderscheidingen kreeg, er zijn tanden in zette. Toen hij op de ochtend van 12 september de New York Times op pagina 7 opensloeg zag hij de foto van Drew. ,,Ik wist direct dat ik hierover zou schrijven. Voor mij symboliseerde die foto het verschil tussen deze aanslag en andere aanslagen.”
Het beeld wekte afschuw bij de lezers, die massaal een brief stuurden naar de hoofdredacteur. De strekking van die brieven was min of meer hetzelfde: ‘hoe durven jullie de privacy van deze man te schenden!’. De reacties waren zo overweldigend dat vanaf 13 september het een ongeschreven regel op redacties in alle vijftig van de Verenigde Staten werd dat de foto van Richard Drew nooit meer geplaatst mocht worden. Net als Amerikanen ook nooit de beelden van de langs de torens scherende mensenlichamen hebben gezien. Een stille consensus, noemt Junod het.
Mede door die stille consensus zou het uiteindelijk nog tot september 2003 duren voordat The Falling Man gepubliceerd werd en met dat verhaal in Esquire had de foto en de persoon een naam.
Niet dat er niet eerder naar gezocht was. Direct na de aanslagen kreeg een verslaggever van de Toronto Globe en Mail, Peter Cheney, de opdracht op zoek te gaan naar de man op de iconische foto. De Canadees, niet gebonden aan de Amerikaanse zelfcensuur, toog naar het New York dat toen nog vergeven was met aangeplakte foto’s van vermisten, liet de foto van Drew vergroten, zag een man met een getinte huidskleur en een sikje en ging op zoek. Cheney kwam uit op Norberto Hernandez, een patisseriekok in het restaurant Windows on the World, op de bovenste twee verdiepingen van de noordtoren.
Als kok zou hij een uniform aan hebben gehad: zwarte broek met witte buis. Dat klopte. Maar de familie van Hernandez kon het niet geloven. Norberto, een devoot katholiek, zou nooit zijn eigen dood tegemoet springen. Dat is zelfmoord en onacceptabel voor de katholieke kerk. ,,De stelligheid waarmee Cheney conclusies trok – misschien in een poging om met het verhaal te scoren? Ik weet het niet – heeft die familie uit elkaar gereten”, constateerde Junod bij zijn zoektocht. ,,Het was voor de vrouw en kinderen van Norberto onvergeeflijk dat er familieleden waren die dachten dat het Norberto kon zijn.”
Junod begon niet direct na de aanslagen aan zijn verhaal. Dat had een simpele reden, een ander verhaal, over FBI-agent John O’Neill, had voorrang. ,,Dat was ook zo’n moment: ik zag zijn overlijdensadvertentie in de krant en wilde over hem schrijven.” Maar omdat andere media ook achter dat verhaal aanzaten, kreeg dat verhaal de voorkeur boven het verhaal achter de foto van de vallende man. Dat tot Junods grote verbazing ook niet door andere media werd opgepakt. Het bleef een taboe, vooral voor verslaggevers.
Twee jaar na de aanslagen was het stigma nog altijd niet weg. ,,Toen ik mijn eindredacteur David Granger vertelde wat mijn idee was, geloof ik niet dat hij doorhad welk verhaal ik wilde schrijven. Ik geloof dat ik het zelf nog niet eens wist. Maar direct waren daar die ontzette reacties. Mensen die tegen me zeiden: ‘Tom, dáár ga je toch niet over schrijven?’ Ze vonden dat ik de springende slachtoffers op die manier onteerde.”
De eerste stap die Junod en zijn collega Andrew Chaikivsky zetten is les één op de School voor Journalistiek: ga terug naar de bron. Als eerste sprak hij dus met Richard Drew over zijn toen nog naamloze foto, want waarom zou je immers een titel geven aan een foto die niemand in je thuisland wilde publiceren? Daarna hoorden ze het verhaal van hun Canadese collega Cheney. Junod was er al snel van overtuigd dat de man op de foto niet Norberto Hernandez was. Dus vroeg en kreeg Junod van Drew de hele fotoserie van de vallende man.
Daar zag hij een detail dat misschien wel voor de doorslag zou kunnen zorgen: onder zijn witte overhemd zag Junod een oranje T-shirt. Een kleur die zo opvallend is dat zijn vrouw of familie zich dat zich vast wel zouden kunnen herinneren. Tegen die tijd hebben Junod en Chaikivsky al zoveel nabestaanden benaderd. ,,Sommigen begrepen onze zoektocht niet, sommigen wilden niet meewerken.” Maar twee jaar na de aanslagen, toen de diepste wonden begonnen te helen, waren de meeste mensen wanhopig op zoek naar antwoorden. Ze wilden weten hoe hun vader of zoon of broer was omgekomen. Na de aanslagen werd er vooral gezegd wat ze wilden horen: dat hun familielid was gestorven in het trappenhuis, vaak terwijl hij of zij iemand anders probeerde te redden. Het heldenverhaal. Maar voor de meeste mensen was het einde beduidend minder glorieus.
Chaikivsky ging om tafel met Michael Lomonaco, de voormalige chef-kok van het Windows on the World-restaurant die op de 11de september geen dienst had. Samen bekeken ze dia na dia van werknemers en vergeleken die met de foto’s die Drew maakte. Het moment dat Lomonaco zijn personeelslid herkende, is voor de chef-kok ‘een enorm emotionele klap’, stelt Junod. De vallende man was Jonathan Briley.
Junod sprak met zijn vader, een inmiddels overleden evangelisch predikant. ,,Het was het opmerkelijkste interview wat ik ooit heb gehad. Hij vertelde me dat hij drie uur lang tot God gebeden had dat Hij het lichaam van zijn zoon zou teruggeven. Een dag later belde de FBI: Jonathan was gevonden, zijn lichaam was intact.” De predikant veroordeelde zijn zoon niet. In tegenstelling tot de familie van Norberto Hernandez zag hij de val als een uitvlucht.
Junod heeft de rest van de familie van Jonathan Briley nooit ontmoet. Zijn collega Chaikivsky bouwde er een hechte band mee op. Junod weet dat ze dankbaar zijn. Dankbaar dat ze door hun zoektocht meer informatie over de laatste momenten van het leven van hun zoon en broer te weten zijn gekomen.
Junod had het mysterie van de vallende man ontrafeld. Tijdens het schrijven had hij continue kippenvel en stonden de haren op zijn armen overeind – en het was de zomer van 2003. Hij zette er een kop boven die onlosmakelijk verbonden is met de foto: The Falling Man. Bewust niet ‘de springende man’. ,,Springen heeft iets bewust. Vallen niet.” Zijn verhaal wordt jaarlijks via de website van Esquire nog door tienduizenden mensen gelezen. Dat is bijzonder, zegt hij zonder zichzelf op de borst te willen kloppen. Want toen Junod de identiteit wist, was er geen moment sprake van vreugde. ,,Beslist niet. Het verhaal had al een diepere betekenis gekregen. De identiteit van The Falling Man was van ondergeschikt belang geworden. Hij is nu een symbool.”

‘DOOR 9/11 WERD IK NEW YORKER’

In een rood jack, gele rubberlaarzen en met een veiligheidsbril en masker om haar nek werkte de toen 25-jarige Rode Kruis-vrijwilliger Melissa van Wijk uit Nederland wekenlang op Ground Zero. Ze werd er gefotografeerd voor de tentoonstelling Faces of Ground Zero. Nu is ze 35 en blikt ze terug.

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – ,,Het moeilijkst was het als wanhopige mensen foto’s van hun vermiste familieleden in mijn handen drukten. Je weet niks en je kunt niks doen, behalve proberen te troosten. Ik had toen al het gevoel dat er niemand meer levend onder het puin vandaan zou komen, maar de familie niet. Ik voelde me dan zo machteloos. Maar ja, je kunt er ook niet jankend rond gaan lopen.

© Joe McNally, Faces of Ground Zero

Op een gegeven moment kregen die families een urn met ‘as’ van Ground Zero en zo’n in een driehoek gevouwen Amerikaanse vlag. Ik zag de vrachtwagen waarmee al die urnen werden gebracht. Het waren er zó veel. Toen besefte ik pas hoeveel mensen er gestorven waren.
In die weken was er geen chronologische tijd. Alleen maar flarden. Als ik nu terugdenk aan de eerste weken na de aanslagen, dan kan ik nog steeds niet zeggen in welke volgorde gebeurtenissen plaatsvonden. Raar eigenlijk, ik besef nu pas dat ik ook helemaal niet meer weet of ik maandagavond 10 september, mijn vaste avond bij de crisisdienst van het Rode Kruis, ben opgeroepen om mensen te helpen na een brand of noodgeval. Ik kan het me gewoon echt niet meer herinneren.
Wel weet ik dat ik de dinsdagochtend thuis in Queens was. Een vriendin belde me. Ze zei op gebiedende toon ‘zet de televisie aan’. Dat deed ik. Waaaat?!, dacht ik toen ik de beelden zag. Ik belde direct het Rode Kruis of ik kon helpen. In 2000, een jaar nadat ik vanuit Utrecht naar New York was gekomen om hier een danscarrière te starten, had ik me daar gemeld als vrijwilliger. Ik vond – en vind – het belangrijk om iets te doen waar een ander wat aan heeft. Maar na een uur realiseerde ik me dat ze wel belangrijker dingen aan hun hoofd hadden dan hun voicemail afluisteren. Ik ben toen gewoon downtown gegaan.
Op het randje van middernacht kwam ik aan en ging ik direct aan de slag. Er was een klein leger aan politie en brandweer, maar iets simpels als koffie was er niet. Maaltijden waren ook een probleem. Het Rode Kruis was er niet op toegerust om duizenden monden te voeden. Mede op mijn initiatief is toen geregeld dat cateringbedrijven werden ingehuurd. Mensen die bijna 24 uur per dag doorwerken moeten immers wel kunnen eten. Anders vallen ze om.
Hoe lang ik de eerste dag heb gewerkt, weet ik niet. Het zal 24 uur geweest zijn. Moe was ik niet. Of ik realiseerde het me niet. De weken daarna kwam ik niet thuis. Iedereen was heel lief voor elkaar. Iedereen wilde ook helpen. Ik mocht gratis een paar uur slapen en douchen in het hotel waar ik als serveerster werkte – niet dat het zin had, want je was meteen weer vies. En vrienden regelden dat mijn huurcheque op tijd bij de huisbaas kwam. Als ik aan het eind van mijn dienst achterin de open truck stapte die iedereen weer richting bewoonde wereld bracht, stonden er honderden mensen te juichen en te klappen. Voor ons! Dus ook voor mij. Dat vond ik toen zó raar. Maar ik kreeg er iedere keer weer kippenvel van.
Het weggaan was het moeilijkste moment van de dag. Ik wilde het werk niet achterlaten. Er moest altijd nog zoveel gebeuren; we waren nooit klaar. Vandaar dat het Rode Kruis op een gegeven moment ook heeft gezegd: nu móét je gaan. Zij hadden ook wel door dat de vrijwilligers nog weken door moesten werken en dat ze dan wel een paar uur rust nodig hadden. Wij deden ook belangrijk werk.
Na hectische maanden ging ik voor kerst 2001 even naar Nederland. Weggaan was lastig, maar achteraf was het voor mij goed om even los te komen van de hulpverlening. Thuis had iedereen hun eigen verhaal over 9/11. De rode draad: de angst om Melissa. Dat had ik me in New York geen moment gerealiseerd.
Toen ik vorige week boodschappen aan het doen was, zag ik mezelf ineens terug op de foto die bij Ground Zero van me was gemaakt. De tentoonstelling ging de wereld over. Tien jaar geleden kwam ik bij mijn chiropractor iemand tegen die me van die foto herkende. Ik voelde me er ongemakkelijk door. Het voelt toch als onverdiende aandacht. Mijn familie is wel enorm trots op mijn rol in de tentoonstelling, maar ze hebben de foto’s zelf nog niet gezien. Helaas zal mijn vader ’m nooit kunnen zijn. Drie jaar geleden is hij overleden.
Ik wist niet dat de portretten van alle hulpverleners nu weer tentoongesteld zouden worden. Ik werd direct weer teruggeworpen in de tijd. Confronterend, want toen pas realiseerde ik me dat het alweer tien jaar geleden is. Het voelt ergens ook wel als een afsluiting van een periode. Door 9/11 ben ik me New Yorker gaan voelen.”