9/11 – IN TIEN JAAR VAN HELD NAAR SLACHTOFFER

Als één van de eersten stond hij op de puinhopen van Ground Zero. Nu is hij ziek. Net als agenten, ambulancepersoneel en brandweermannen die hun werk deden. Vakbondswerker John Devlin gaf zich vrijwillig op om te helpen. Hij ging van held naar slachtoffer, maar zijn kanker wordt niet door de overheid erkend. ,,Ik hielp omdat ik van mijn land hou, maar mijn land houdt blijkbaar niet van mij.”

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
BRIGHTWATERS (GPD) – John Devlin was nooit ziek. Had niet eens een huisarts. Ging graag skiën op de pistes van Aspen, Colorado, deed aan vechtsport en speelde softbal. Hij had het eeuwige leven. Hád. Nu woont hij praktisch in het ziekenhuis. Volgens prognoses van zijn artsen had hij al een jaar dood moeten zijn.
Maar hier zit hij dan nog, thuis in Brightwaters op Long Island, op de bruine suède hoekbank van het type dat met de juiste beweging verandert in een ligstoel. Naast hem ligt Buster, een teckel die denkt dat hij een Dobermann is. Boven de bank herinnert een houten bordje met ‘gone skiing’ aan zijn vroegere hobby. Zijn dunne blonde haar is bijeengebonden in een staartje. Zijn voeten zitten in zwarte leren motorlaarzen met zilveren beslag. Op de inrit staat een pick-up truck met op de portieren de sticker ‘RS11’: Remember September 11th. De Ford is zo groot dat hij het gevoel geeft alsof je in een huis rondrijdt. Het zijn de weinige pleziertjes sinds Devlin (50) zijn leven begin 2009 compleet zag instorten. ,,Toen de dokter zei dat ik keelkanker had, wilde ik hem slaan.”
Voor wie hem niet kent, oogt hij gezond. Maar een paar jaar geleden was hij nog twintig kilo zwaarder en had hij bovenarmen waar zijn huidige exemplaren twee keer in zouden passen. Zijn stem verraadt zijn ziekte al voor Devlin er zelf iets over heeft kunnen vertellen. Na ‘ontelbare’ operaties, 33 bestralingen en acht chemokuren moest hij opnieuw leren praten. Zijn stem klinkt alsof het uit een computer komt. Soms grijpt hij midden in een zin naar een flesje water. Speeksel maakt hij niet meer aan, de klieren die dat deden zijn er niet meer. Af en toe loopt hij de woonkamer uit om zijn inhalator te gebruiken. Ook zijn longen zijn stuk. Eigenlijk moet Devlin aan de sondevoeding, want eten gaat lastig. Voortdurend komen er stukjes voedsel in zijn longen terecht die daar ontstekingen veroorzaken. Devlin vreest dat één zo’n longontsteking uiteindelijk zijn einde zal betekenen.
Spijt heeft hij niet. Zelfs met de kennis van nu zou hij naar Ground Zero zijn gegaan om te helpen. ,,Als patriot was dat mijn plicht. Maar als zoiets nog een keer gebeurt ben ik de eerste die het anderen ontraadt.” De overheid in Washington weigert Devlin en de honderden anderen die na maanden op Ground Zero ziek werden te compenseren. Devlin was één van de grote voorvechters van de Zadroga-wet – genoemd naar de NYPD-agent die stierf aan een longaandoening die hij opliep na 9/11 – die ervoor zorgt dat de helden die slachtoffer werden een vergoeding krijgen. Met succes. De wet werd ondanks Republikeinse tegenstand begin dit jaar aangenomen. Maar eind juli werd besloten dat kanker van de wet wordt uitgesloten. Een enorme klap voor Devlin.
Op 11 september 2001 zat hij in zijn auto toen hij hoorde dat er een vliegtuig in één van de Twin Towers was gevlogen. Thuis zag hij beide wolkenkrabbers instorten. Devlin, machinist van graafmachines, bulldozers en andere machinerie, dacht aan de duizenden mensen die gevangen zaten onder het puin en wilde helpen. Op woensdag 12 september ging hij voor het eerst naar Ground Zero. Ruim negen maanden werkte hij er twaalf uur per dag, zeven dagen per week. In totaal, zo becijfert hij, 3200 uur.
In het begin zocht hij naar lichamen. Aan de andere kant van de hekken stonden radeloze familieleden die hem constant foto’s van hun man, vrouw, dochter, zoon in de handen drukten. Devlin haalt ze als voorbeeld uit een plastic hoes. ,,Later volgden we de vliegen. Nog later zochten we alleen maar naar botten.” Maandenlang stopte Devlin lichaamsdelen in blauwe lijkenzaken. ,,Ik veegde ze op alsof het bladeren waren.” Hij zegt het emotieloos, maar het doet hem heus wel wat. ,,Ik heb als kind genoeg doden gezien. Mijn vader stierf aan mijn voeten aan een hartaanval. Maar dit was te veel. Eén nacht ben ik ingestort.” Aan de baai in de buurt van zijn huis zat hij minutenlang te huilen. Toen ging de knop om. ,,Mensen waren op zoek naar hun dierbaren. Ik kon daarbij helpen. Ik moest doorgaan.”
Het was als een laagjestaart, beschrijft Devlin. Het glazuur was het puin en stof. Daaronder lagen de lichamen. Met zijn graafmachine groef hij een brandweerauto vol met brandweermannen uit. Sommigen intact, sommigen in stukken. De volgende laag bestond uit botten. Ribbenkasten, bekkens, schedels en schoenen. Ontelbare schoenen. De basis van de taart bestond uit nog meer puin. Toen de ‘laagjestaart’ binnen een jaar opgeruimd was, kwam er groen en geel slijm uit de neus van Devlin. Hoesten, hoesten, hoesten. En hij had plots astma. ,,En de overheid maar zeggen dat de lucht schoon was… Maar ja, met astma kun je leven.”
Met een posttraumatische stress-stoornis leven bleek een stuk moeilijker. Als ze cijfers hadden uitgedeeld voor de test die Devlin moest invullen, was dat een 10 geweest. In dit geval geen rapportcijfer waar je trots op mag zijn. Zijn huwelijk liep in 2007 na ruim twintig jaar op de klippen. Hij vond nieuw geluk bij verpleegkundige Nancy Nyhuis. Als er nog wat van de posttraumatische stress over was, zegt Devlin, dan is het uitgeveegd door de kanker. In november 2008 kreeg hij een zere keel. De keelpijn ging maar niet over. Hij ging naar een dokter, die het afdeed als maagontsteking. Toen Devlin in januari 2009 bij de specialisten van het Stony Brook ziekenhuis binnenstapte, bleek de werkelijkheid erger. Zijn artsen gaven hem zes maanden.
Keelkanker is een ziekte die zich manifesteert bij verstokte rokers en een enkele alcoholist. Devlin had nog nooit in zijn leven gerookt. Een grote drinker was hij ook niet. Devlin haalt een stapel brieven uit een zwarte koffer. Stuk voor stuk zetten zijn artsen – longarts, KNO-arts, oncoloog – zwart op wit dat de ziekte van patiënt Devlin naar hun professionele mening veroorzaakt was door maandenlange blootstelling aan de rookwolken en giftige dampen op Ground Zero. De staat New York nam die constatering over. Hierdoor krijgt Devlin maandelijks een uitkeringscheque van 3100 dollar (2200 euro). Nauwelijks genoeg voor de alimentatie voor zijn dochter (16) en studerende zoon (20) en om zijn nieuwe gezin (Nyhuis heeft drie kinderen) te onderhouden, maar veel te weinig voor de ziekenhuisrekeningen, die optellen tot zo’n 700.000 euro.
Daarom is het ook zo zuur dat Devlin naast de vergoedingen uit de door hem bevochten Zagroda-wet grijpt. ,,Is het nou uit te leggen in Nederland? Dat je maandenlang je ziel en zaligheid legt in het opruimen van de puinhopen. Dat je kanker krijgt. Dat al je artsen zeggen dat het van Ground Zero komt. Maar dat de regering dat ontkent? Ik hielp omdat ik van mijn land hou, maar mijn land houdt blijkbaar niet van mij.”
Hij wrijft over zijn getatoeëerde onderarmen. Op de rechter staat een goede geest die een kwade geest verjaagt. Een tattoo uit een indianenverhaal; Devlins moeder was half Cherokee. De tatoeage op de linker heeft hij na zijn diagnose laten zetten. ,,Het is de aartsengel Michaël die vecht tegen de duivel. Maar als ik er naar kijk, zie ik mijn strijd tegen kanker.”
Devlin zegt nu geen toekomst voor zichzelf te zien. Nancy heeft hij weliswaar ten huwelijk gevraagd, maar hij zal pas met haar trouwen als de onkosten voor zijn ziekte door de overheid worden betaald. ,,Ik wil niks waar ik geen recht op heb. Ik wil heus geen miljonair worden. Maar ik verdien beter. En alle anderen ook.” Hij strijdt ook voor zijn kameraden die al zijn overleden of te ziek zijn om zelf te vechten. ,,Ik hoop alleen dat ik lang genoeg leef om gerechtigheid mee te maken.”

9/11 – DE ZOEKTOCHT NAAR ‘THE FALLING MAN’

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Als Tom Junod zijn huis in Atlanta verruilt voor een bezoek aan zijn eindredacteur van maandblad Esquire in New York, kijkt hij altijd even naar de blauwe hemel boven Lower Manhattan. Daar, waar tot 11 september 2001 de Twin Towers hun schaduw over de zuidpunt van het eiland wierpen, ziet hij dan altijd nog die man zweven.
De foto is even bekend als hij gruwelijk is. Een man die ondersteboven, met de noordtoren op de achtergrond, ter aarde stort. Zijn linkerbeen licht gebogen, zijn armen strak langs zijn lichaam. Hij heeft een zwarte broek aan, zwarte schoenen en een wit overhemd.

Gemaakt op die dinsdagochtend, om exact 09.41.15 uur, werd deze foto van AP-fotograaf Richard Drew het icoon voor iedereen die tijdens de aanslag van ‘9/11’ niet bleef wachten op de zekere dood. Deze ‘jumpers’, springers, namen het heft in eigen hand. Miljoenen tv-kijkers wereldwijd zagen hoe het ene na het andere stipje langs de brandende torens raasde. Maar in Amerika bleef het jarenlang een groot taboe.
Totdat Junod (53), een journalist die voor zijn werk al vele onderscheidingen kreeg, er zijn tanden in zette. Toen hij op de ochtend van 12 september de New York Times op pagina 7 opensloeg zag hij de foto van Drew. ,,Ik wist direct dat ik hierover zou schrijven. Voor mij symboliseerde die foto het verschil tussen deze aanslag en andere aanslagen.”
Het beeld wekte afschuw bij de lezers, die massaal een brief stuurden naar de hoofdredacteur. De strekking van die brieven was min of meer hetzelfde: ‘hoe durven jullie de privacy van deze man te schenden!’. De reacties waren zo overweldigend dat vanaf 13 september het een ongeschreven regel op redacties in alle vijftig van de Verenigde Staten werd dat de foto van Richard Drew nooit meer geplaatst mocht worden. Net als Amerikanen ook nooit de beelden van de langs de torens scherende mensenlichamen hebben gezien. Een stille consensus, noemt Junod het.
Mede door die stille consensus zou het uiteindelijk nog tot september 2003 duren voordat The Falling Man gepubliceerd werd en met dat verhaal in Esquire had de foto en de persoon een naam.
Niet dat er niet eerder naar gezocht was. Direct na de aanslagen kreeg een verslaggever van de Toronto Globe en Mail, Peter Cheney, de opdracht op zoek te gaan naar de man op de iconische foto. De Canadees, niet gebonden aan de Amerikaanse zelfcensuur, toog naar het New York dat toen nog vergeven was met aangeplakte foto’s van vermisten, liet de foto van Drew vergroten, zag een man met een getinte huidskleur en een sikje en ging op zoek. Cheney kwam uit op Norberto Hernandez, een patisseriekok in het restaurant Windows on the World, op de bovenste twee verdiepingen van de noordtoren.
Als kok zou hij een uniform aan hebben gehad: zwarte broek met witte buis. Dat klopte. Maar de familie van Hernandez kon het niet geloven. Norberto, een devoot katholiek, zou nooit zijn eigen dood tegemoet springen. Dat is zelfmoord en onacceptabel voor de katholieke kerk. ,,De stelligheid waarmee Cheney conclusies trok – misschien in een poging om met het verhaal te scoren? Ik weet het niet – heeft die familie uit elkaar gereten”, constateerde Junod bij zijn zoektocht. ,,Het was voor de vrouw en kinderen van Norberto onvergeeflijk dat er familieleden waren die dachten dat het Norberto kon zijn.”
Junod begon niet direct na de aanslagen aan zijn verhaal. Dat had een simpele reden, een ander verhaal, over FBI-agent John O’Neill, had voorrang. ,,Dat was ook zo’n moment: ik zag zijn overlijdensadvertentie in de krant en wilde over hem schrijven.” Maar omdat andere media ook achter dat verhaal aanzaten, kreeg dat verhaal de voorkeur boven het verhaal achter de foto van de vallende man. Dat tot Junods grote verbazing ook niet door andere media werd opgepakt. Het bleef een taboe, vooral voor verslaggevers.
Twee jaar na de aanslagen was het stigma nog altijd niet weg. ,,Toen ik mijn eindredacteur David Granger vertelde wat mijn idee was, geloof ik niet dat hij doorhad welk verhaal ik wilde schrijven. Ik geloof dat ik het zelf nog niet eens wist. Maar direct waren daar die ontzette reacties. Mensen die tegen me zeiden: ‘Tom, dáár ga je toch niet over schrijven?’ Ze vonden dat ik de springende slachtoffers op die manier onteerde.”
De eerste stap die Junod en zijn collega Andrew Chaikivsky zetten is les één op de School voor Journalistiek: ga terug naar de bron. Als eerste sprak hij dus met Richard Drew over zijn toen nog naamloze foto, want waarom zou je immers een titel geven aan een foto die niemand in je thuisland wilde publiceren? Daarna hoorden ze het verhaal van hun Canadese collega Cheney. Junod was er al snel van overtuigd dat de man op de foto niet Norberto Hernandez was. Dus vroeg en kreeg Junod van Drew de hele fotoserie van de vallende man.
Daar zag hij een detail dat misschien wel voor de doorslag zou kunnen zorgen: onder zijn witte overhemd zag Junod een oranje T-shirt. Een kleur die zo opvallend is dat zijn vrouw of familie zich dat zich vast wel zouden kunnen herinneren. Tegen die tijd hebben Junod en Chaikivsky al zoveel nabestaanden benaderd. ,,Sommigen begrepen onze zoektocht niet, sommigen wilden niet meewerken.” Maar twee jaar na de aanslagen, toen de diepste wonden begonnen te helen, waren de meeste mensen wanhopig op zoek naar antwoorden. Ze wilden weten hoe hun vader of zoon of broer was omgekomen. Na de aanslagen werd er vooral gezegd wat ze wilden horen: dat hun familielid was gestorven in het trappenhuis, vaak terwijl hij of zij iemand anders probeerde te redden. Het heldenverhaal. Maar voor de meeste mensen was het einde beduidend minder glorieus.
Chaikivsky ging om tafel met Michael Lomonaco, de voormalige chef-kok van het Windows on the World-restaurant die op de 11de september geen dienst had. Samen bekeken ze dia na dia van werknemers en vergeleken die met de foto’s die Drew maakte. Het moment dat Lomonaco zijn personeelslid herkende, is voor de chef-kok ‘een enorm emotionele klap’, stelt Junod. De vallende man was Jonathan Briley.
Junod sprak met zijn vader, een inmiddels overleden evangelisch predikant. ,,Het was het opmerkelijkste interview wat ik ooit heb gehad. Hij vertelde me dat hij drie uur lang tot God gebeden had dat Hij het lichaam van zijn zoon zou teruggeven. Een dag later belde de FBI: Jonathan was gevonden, zijn lichaam was intact.” De predikant veroordeelde zijn zoon niet. In tegenstelling tot de familie van Norberto Hernandez zag hij de val als een uitvlucht.
Junod heeft de rest van de familie van Jonathan Briley nooit ontmoet. Zijn collega Chaikivsky bouwde er een hechte band mee op. Junod weet dat ze dankbaar zijn. Dankbaar dat ze door hun zoektocht meer informatie over de laatste momenten van het leven van hun zoon en broer te weten zijn gekomen.
Junod had het mysterie van de vallende man ontrafeld. Tijdens het schrijven had hij continue kippenvel en stonden de haren op zijn armen overeind – en het was de zomer van 2003. Hij zette er een kop boven die onlosmakelijk verbonden is met de foto: The Falling Man. Bewust niet ‘de springende man’. ,,Springen heeft iets bewust. Vallen niet.” Zijn verhaal wordt jaarlijks via de website van Esquire nog door tienduizenden mensen gelezen. Dat is bijzonder, zegt hij zonder zichzelf op de borst te willen kloppen. Want toen Junod de identiteit wist, was er geen moment sprake van vreugde. ,,Beslist niet. Het verhaal had al een diepere betekenis gekregen. De identiteit van The Falling Man was van ondergeschikt belang geworden. Hij is nu een symbool.”

‘DOOR 9/11 WERD IK NEW YORKER’

In een rood jack, gele rubberlaarzen en met een veiligheidsbril en masker om haar nek werkte de toen 25-jarige Rode Kruis-vrijwilliger Melissa van Wijk uit Nederland wekenlang op Ground Zero. Ze werd er gefotografeerd voor de tentoonstelling Faces of Ground Zero. Nu is ze 35 en blikt ze terug.

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – ,,Het moeilijkst was het als wanhopige mensen foto’s van hun vermiste familieleden in mijn handen drukten. Je weet niks en je kunt niks doen, behalve proberen te troosten. Ik had toen al het gevoel dat er niemand meer levend onder het puin vandaan zou komen, maar de familie niet. Ik voelde me dan zo machteloos. Maar ja, je kunt er ook niet jankend rond gaan lopen.

© Joe McNally, Faces of Ground Zero

Op een gegeven moment kregen die families een urn met ‘as’ van Ground Zero en zo’n in een driehoek gevouwen Amerikaanse vlag. Ik zag de vrachtwagen waarmee al die urnen werden gebracht. Het waren er zó veel. Toen besefte ik pas hoeveel mensen er gestorven waren.
In die weken was er geen chronologische tijd. Alleen maar flarden. Als ik nu terugdenk aan de eerste weken na de aanslagen, dan kan ik nog steeds niet zeggen in welke volgorde gebeurtenissen plaatsvonden. Raar eigenlijk, ik besef nu pas dat ik ook helemaal niet meer weet of ik maandagavond 10 september, mijn vaste avond bij de crisisdienst van het Rode Kruis, ben opgeroepen om mensen te helpen na een brand of noodgeval. Ik kan het me gewoon echt niet meer herinneren.
Wel weet ik dat ik de dinsdagochtend thuis in Queens was. Een vriendin belde me. Ze zei op gebiedende toon ‘zet de televisie aan’. Dat deed ik. Waaaat?!, dacht ik toen ik de beelden zag. Ik belde direct het Rode Kruis of ik kon helpen. In 2000, een jaar nadat ik vanuit Utrecht naar New York was gekomen om hier een danscarrière te starten, had ik me daar gemeld als vrijwilliger. Ik vond – en vind – het belangrijk om iets te doen waar een ander wat aan heeft. Maar na een uur realiseerde ik me dat ze wel belangrijker dingen aan hun hoofd hadden dan hun voicemail afluisteren. Ik ben toen gewoon downtown gegaan.
Op het randje van middernacht kwam ik aan en ging ik direct aan de slag. Er was een klein leger aan politie en brandweer, maar iets simpels als koffie was er niet. Maaltijden waren ook een probleem. Het Rode Kruis was er niet op toegerust om duizenden monden te voeden. Mede op mijn initiatief is toen geregeld dat cateringbedrijven werden ingehuurd. Mensen die bijna 24 uur per dag doorwerken moeten immers wel kunnen eten. Anders vallen ze om.
Hoe lang ik de eerste dag heb gewerkt, weet ik niet. Het zal 24 uur geweest zijn. Moe was ik niet. Of ik realiseerde het me niet. De weken daarna kwam ik niet thuis. Iedereen was heel lief voor elkaar. Iedereen wilde ook helpen. Ik mocht gratis een paar uur slapen en douchen in het hotel waar ik als serveerster werkte – niet dat het zin had, want je was meteen weer vies. En vrienden regelden dat mijn huurcheque op tijd bij de huisbaas kwam. Als ik aan het eind van mijn dienst achterin de open truck stapte die iedereen weer richting bewoonde wereld bracht, stonden er honderden mensen te juichen en te klappen. Voor ons! Dus ook voor mij. Dat vond ik toen zó raar. Maar ik kreeg er iedere keer weer kippenvel van.
Het weggaan was het moeilijkste moment van de dag. Ik wilde het werk niet achterlaten. Er moest altijd nog zoveel gebeuren; we waren nooit klaar. Vandaar dat het Rode Kruis op een gegeven moment ook heeft gezegd: nu móét je gaan. Zij hadden ook wel door dat de vrijwilligers nog weken door moesten werken en dat ze dan wel een paar uur rust nodig hadden. Wij deden ook belangrijk werk.
Na hectische maanden ging ik voor kerst 2001 even naar Nederland. Weggaan was lastig, maar achteraf was het voor mij goed om even los te komen van de hulpverlening. Thuis had iedereen hun eigen verhaal over 9/11. De rode draad: de angst om Melissa. Dat had ik me in New York geen moment gerealiseerd.
Toen ik vorige week boodschappen aan het doen was, zag ik mezelf ineens terug op de foto die bij Ground Zero van me was gemaakt. De tentoonstelling ging de wereld over. Tien jaar geleden kwam ik bij mijn chiropractor iemand tegen die me van die foto herkende. Ik voelde me er ongemakkelijk door. Het voelt toch als onverdiende aandacht. Mijn familie is wel enorm trots op mijn rol in de tentoonstelling, maar ze hebben de foto’s zelf nog niet gezien. Helaas zal mijn vader ’m nooit kunnen zijn. Drie jaar geleden is hij overleden.
Ik wist niet dat de portretten van alle hulpverleners nu weer tentoongesteld zouden worden. Ik werd direct weer teruggeworpen in de tijd. Confronterend, want toen pas realiseerde ik me dat het alweer tien jaar geleden is. Het voelt ergens ook wel als een afsluiting van een periode. Door 9/11 ben ik me New Yorker gaan voelen.”

9/11 – MIDDLETOWN BLIJFT ALTIJD OVER DE SCHOUDER KIJKEN

Na New York City werd Middletown het zwaarst getroffen door de aanslagen van 11 september 2001. Een paar maanden na de aanslag schreef de GPD een portret over het dorp in New Jersey. Nu, tien jaar later, keerden we terug naar een gemeenschap die nog altijd boos is.

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
MIDDLETOWN (GPD) – Bij de Memorial Gardens in Middletown hangt de vlag altijd halfstok. Een rood stenen pad leidt langs 37 grafstenen met een fotogravure en ingegraveerde tekst. Dat het zo’n goede moeder was. Een liefhebbende zoon. Het zonnetje in huis. En dat er geen tijd was om afscheid te nemen. Maar hier liggen geen kisten onder de grond. Het is een gedenkplek voor de 37 inwoners van het plaatsje die na die dinsdag 11 september niet meer terugkeerden van hun werk in de torens van het World Trade Center.
Het mag dan wel bijna tien jaar geleden zijn, voor de inwoners van Middletown is het nog net alsof het gisteren was. De herinnering staat op ieders netvlies. Dat het zo’n perfecte dag was. Kraakhelder. Zonnig. Een blauwe, wolkenloze lucht zover het oog kon kijken. Toen verzekeringsagent Pat Sheridan die ochtend naar zijn werk reed, kon hij de torens vanaf de Parkway Bridge zien. ,,Een zeldzaamheid.”
Sheridan heeft zelf geen dierbaren verloren, maar als je nu tegen hem de cijfers 9 en 11 zegt, gaat zijn geheugen direct terug naar de aanblik die hem het meest heeft geëmotioneerd. ,,De dagen na de aanslagen ging niemand aan het werk. Toch stond de parkeerplaats bij het station vol met auto’s. De aanblik van al die auto’s van mensen die nooit meer terug zouden komen. Hun families durfden de auto’s niet weg te halen, uit een soort van wanhopige hoop dat áls hun man, vrouw, zoon, dochter of broer of zus de aanslag overleefd had, dat hij dan van het station naar huis kon rijden.”
Middletown is geen gewoon Amerikaans dorp. De gemeente, gesticht op de plek waar Henry Hudson met zijn Halve Maen aan land kwam, is één van de oudste in New Jersey en werd gesticht door Britten en Nederlanders. Middletown strekt zich uit over ruim honderd kilometer en bestaat uit verschillende dorpskernen. ‘The biggest small town in America’, zo adverteert het gemeentebestuur. Aan sommige brede straten staan grote villa’s achter witte houten spijlenhekjes die zo uit de set van Desperate Housewives lijken te komen. Kabelzender CNN riep Middletown in 2006, 2008 en 2010 uit als de beste plek om te wonen. Maar nabestaanden van 37 dorpelingen zouden op die perfecte zomerdag in 2001 grof geld hebben gegeven om dat jaar even niét in Middletown te wonen.
Honderden inwoners van Middeltown maakten iedere doordeweekse dag de reis naar Manhattan; 1,5 uur met de trein of drie kwartier met de veerboot. De meeste kozen de zilvergrijze trein van New Jersey Transit. De laatste zeven minuten van hun reis, voordat de trein de North River Tunnel in verdwijnt, hadden ze een prachtig uitzicht op de Twin Towers. Nu zien forenzen op dezelfde plek de Freedom Tower iedere maand een stukje hoger groeien. Een ingesproken vrouwenstem roept op alert te zijn op ‘verdachte pakketjes’. Een waarschuwingsboodschap die de forenzen uit Middletown vroeger nooit hebben gehoord.
Stephen Cangialosi was één van de inwoners van Middletown die dagelijks met zijn auto naar het station reed. Zoals zoveel van zijn buurtgenoten werkte Cangialosi als obligatiehandelaar bij Cantor Fitzgerald, dat kantoor hield op verdieping 101 tot en met 105 van de noordtoren. Karen Cangialosi leefde met haar man en twee zoons van 10 en 7 tot 11 september 2001 het perfecte leven in haar grote huis aan Baskenridge Drive. Die ochtend gaf hij de nog half slapende Karen een zoen ter afscheid. Het zou de laatste keer zijn.
Het telefoonnummer van Karen is gewoon te vinden in de telefoongids en ze staat ook op Facebook. ,,Dat hebben mijn kinderen gedaan. Ik zit er nooit op. ” Ieder jaar krijgt ze weer telefoontjes van journalisten uit Italië, Oostenrijk en Japen. In het begin zei ze iedere keer ‘ja’. Ze is nu eenmaal een vriendelijke vrouw en houdt er niet van om mensen af te wijzen. ,,Maar ik doe het niet meer. Ik wil er niet over praten. Ik help er niemand mee. Het slokt veel van mijn tijd op, zonder dat ik er iets voor terugkrijg. Mijn man al helemaal niet.”
De houding van Cangialosi is tekenend voor Middletown. Ook degenen die geen echtgenoot, zoon, dochter, broer, zus, moeder of vader hebben verloren voelden en voelen nog altijd woede. Kevin Kroeper werkt in de plaatselijke Burger King. Hij was op 9/11 aan het werk en hoorde van de klanten die hun Whoppers in de ‘drive thru’ bestelden flarden van het drama dat zich op hemelsbreed 40 kilometer afstand afspeelde. ,,Destijds hingen hier nog geen tv’s.” Kroeper maakte zich zorgen om zijn broer, die tegenover het WTC werkte. Pas om half zes die middag hoorde ik dat hij veilig was.”
De aanslagen hebben Kroeper bewust gemaakt. Niet dat hij iedere dag moet genieten van het leven, maar dat hij op moet letten. ,,Als ik tien jaar geleden een achtergelaten tas op straat zou zien, zou ik gedacht hebben dat iemand zijn rugtas was vergeten. No big deal. Maar nu zie ik een potentiële bom.” Kroeper is blij dat met de dood van Osama bin Laden de hoofdverantwoordelijke niet meer op dezelfde aarde rondloopt als hij. ,,Ik zou dolgraag het filmpje zien waarin hij door z’n kop wordt geschoten.”
De woede is volgens de belangrijkste politici in Middletown burgemeester Anthony – Tony – Fiore en senator Joseph Kyrillos van de Senaat in New Jersey logisch. ,,We werden aangevallen om één reden: dat we Amerikanen zijn”, zegt Kyrillos. Fiore: ,,Het was een aanslag op onze manier van leven. Op hoe wij onze boterham verdienen.” Middletown is door de aanslagen patriottistischer geworden dan andere plaatsen, vermoedt hij. Overal in de VS wappert op bijna iedere straathoek de Amerikaanse vlag, maar nergens lijkt de vlaggendrift groter dan in Middletown. Sommige percelen zijn compleet omzoomd door rood-wit-blauwe miniatuur stars-and-stripes. ,,Middletown is All-American. Het is een teken: wij vergeten nooit, maar kijken ook vooruit. Al kijken we af en toe wel over onze schouder. Want waakzaam blijven we.”
De aanslagen hebben er ook voor gezorgd dat zijn gemeenschap hechter is dan ooit. Fiore benadrukt dat er geen vrijwillig brandweerkorps in Amerika is met meer leden dat de brandweer van Middletown. Rockband Bon Jovi, wier voorman Jon Bon Jovi met zijn gezin in Middletown woont, schreef er na de aanslagen een nummer over: Undivided. Het verwoordt zijn woede (That was my brother lost in the rubble/That was my sister lost in the crush/That was our mothers, those were our children/That was our fathers, that was each of us), maar ook de eenheid (Where we once were divided, now we stand united/We stand as one… Undivided).
Die eenheid was ook nodig na de aanslagen. De VS begon een oorlog, eerst in Afghanistan, later in Irak. ,,Er is geen plek ter wereld die daar meer begrip voor had dan Middletown”, zegt senator Kyrillos. ,,Ook voor de veiligheidsmaatregelen die er genomen moesten worden was groot begrip. Hoorde je elders mensen nogal eens mopperen over hoe de Patriot Act een inbreuk was op privacy, hier overheerste het gevoel dat de wet gerechtvaardigd is.”
Volgens Kyrillos is Middletown doordrongen van de fragiliteit van het leven. Zelfs bij de jongste inwoners, die ten tijde van de aanslagen nog niet geboren waren. ,,Mijn dochter van negen speelt met haar buurmeisjes. Ze weet dat de vader van haar vriendinnetjes er vanwege ‘bad people’ niet meer is.”
De aanslagen zitten in iedere vezel van Middletown, maar komt na tien jaar meestal niet meer aan de oppervlakte. Burgemeester Fiore is zich ervan bewust dat veel van zijn burgers af willen van de schijnwerper die eens per jaar op Middletown wordt gericht. Het gemeentebestuur worstelt met een goede balans tussen herdenken en doorgaan met het leven. Verzekeringsagent Pat Sheridan zegt dat Middletown beter af is als de wereld zijn woonplaats ‘met rust’ laat. ,,Wij zorgen voor onze eigen mensen.”
Maar vergeten kan niet, weet Mary Topolski. Ze werkt al 22 jaar in de New Monmouth Diner, een zilverkleurige doos aan de doorgaande weg die Middletown door midden snijdt, waar zwart-wit foto’s van Marilyn Monroe en Elvis Presly aan de muren hangen en serveersters als Topolski een blauw polyester uniform dragen. Veel van de nepleren bankjes, ‘booths’, in het eettentje in het hart van Middletown bleven na 11 september leeg. Vaste klanten wiens gezichten Topolski na de aanslagen nooit meer zou zien. ,,Je gaat door met je leven. Je moet wel. Maar zodra iemand erover begint, komt alles meteen weer terug.” Alsof het gisteren was.

9/11 – IMPRESSIES TOEN EN NU

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
(GPD) – Terroristen troffen op 11 september 2001 de Verenigde Staten op drie plekken: het World Trade Center in New York (2753 doden), het Pentagon in Washington DC (184 doden) en een veld bij Shanksville (40 doden). Tien jaar later: een impressie.

GROUND ZERO, NEW YORK: VANDAAG RENT NIEMAND WEG
Vandaag rent er niemand in blinde paniek richting de Brooklyn Bridge in een poging aan de rollende rookwolken te ontsnappen. Op de hoek van Beekman Street en Park Row, op een steenworp afstand van het New Yorkse stadhuis, is het rustig. Jasje-dasje mannen en dames in mantelpak hebben de kantoortorens al verlaten. Toeristen zoeken de weg naar de Brooklyn Bridge. Om de paar minuten rijdt er een bus langs. Taxi’s lijken dan weer in een onuitputtelijke stroom uit zijwegen te zwermen, om vervolgens minutenlang onzichtbaar te blijven. Een brandweerwagen rijdt met loeiende sirenes langs. Een brandweerman zwaait bereidwillig met zijn getatoeëerde arm naar Spaanse toeristen die met hun camera in de aanslag staan.
Vrijwel overal op het zuidpuntje van Manhattan is de Freedom Tower te zien, die verrijst naast de plek waar tot 11 september 2001 de torens van het World Trade Center stonden. De glimmende ramen van de toren reflecteren de ondergaande zon. Maar de weerkaatsing is vanaf deze straathoek niet te zien. De nieuwe toren blijft verborgen achter de kleinere wolkenkrabbers in de buurt. Dichterbij gaat het monument nu ook nog schuil achter hekken. De blikvangers, de twee vierkante vijvers op exact dezelfde plek als waar de torens stonden, zijn pas na de herdenking van 11 september te zien.
Zonder de rookwolken is een stokoude kerk zichtbaar – geopend in 1766 – waar Amerika’s eerste president George Washington ooit nog ter kerke ging. Als door een wonder bleef de oudste kerk op Manhattan ongeschonden na de aanslag. In St. Paul’s Chapel vonden hulpverleners in de dagen, weken, maanden na 9/11 24 uur per dag onderdak, een koud glas water, een maaltijd, een luisterend oor.
Toeristen nemen er een foto, om zich daarna snel weer op te maken voor één van de vele andere trekpleisters die New York rijk is. Ze lijken niet lang te willen stilstaan bij de tragedie waarbij zoveel mensen omkwamen. Dat is zo’n domper op de vakantievreugde.

PENTAGON, WASHINGTON DC: DE LICHTERE STENEN MARKEREN DE PLEK
In het Pentagon zijn ze laagvliegende vliegtuigen wel gewend. Het Amerikaanse ministerie van defensie ligt immers in de aanvliegroute van het Ronald Reagan-vliegveld. Om de paar minuten vliegt er eentje over, laag genoeg om de luchtvaartmaatschappij te herkennen. Delta, US Airways, Continental.

Ook in de lucht, iets lager, vliegen twee bonte zwaluwen speels achter elkaar aan. Dan haalt de ene de andere in, dan de andere de ene. De jolijt in de lucht staat in schril contrast met de plechtige stemming op de grond. Het Pentagon Memorial is gebouwd voor de zuidwestmuur van het bekende vijfhoekige gebouw van het Amerikaanse ministerie; het grootste kantorencomplex ter wereld.
Een laag natuurstenen muurtje begrenst het monument. Om de vijftig centimeter staat er een jaartal in, het geboortejaar van één van de slachtoffers. Roestvrijstalen stroken op de grond verbinden de ene kant van het muurtje met de andere kant. Onderweg komen uit het beigebruine grind zwevende platen omhoog. Iedere zwevende plaat staat voor één omgekomen slachtoffer die in dat jaar geboren is. De oudste kwam in 1930 ter wereld en was zeventig, de jongste werd in 1998 geboren. Dana Falkenberg was pas drie en was met haar ouders en oudere zusje op weg naar Australië. In sommige jaren steken wel vier platen uit de grond. Soms maar één.
American Airlines vlucht 77 had 59 mensen aan boord die dachten dat het toestel ze naar Los Angeles zou brengen. In plaats van zon, zee en strand vonden zij om 09.37 uur ’s ochtends allemaal de dood. Op de grond was de slachting nog groter: 125 militairen van landmacht, marine, luchtmacht en het korps mariniers overleefden de schade die het toestel aan het massief uitziende pand aanrichtte niet. Veel militairen die tijdens de aanslag in het Pentagon waren, kunnen er ook tien jaar na dato nog niet over praten. Aan de buitenkant van het Pentagon herinneren alleen de nieuwe stenen, een fractie lichter dan de rest van het pand, aan de ramp.

SHANKSVILLE, PENNSYLVANIA: VAN VELD NAAR EREVELD
In Shanksville zijn geen winkels, geen restaurants, geen bars. In het veld aan de rand van het dorp in de bergen van Pennsylvania stortte op 11 september United Airlines vlucht 93 neer. Weg anonimiteit. In één klap kende iedereen Shanksville. Een dorp waar 250 mensen wonen. Mensen die voor een groot deel niet gesteld zijn op alle aandacht die het plaatsje sinds 11 september 2001 heeft gekregen. Daar hebben ze niet om gevraagd. Ze willen hun ‘small town’ terug. Maar dat zal nooit gebeuren. Na twee tijdelijke monumenten gaat op 11 september de definitieve gedenkplek open.
Het is stil in Shanksville. Af en toe rijdt er een gele kipwagen van CAT langs. De bouw van het permanente monument, aan de voet van de heuvel pal naast de plek waar het vliegtuig neerkwam, is in volle gang. Aan het hekwerk hangen vlaggetjes, talloze Stars and Stripes, maar ook een Duits, Italiaans en Puerto Ricaanse vlag.
Op de heuvel waar de FBI kort na de crash in een verroest golfplaten schuurtje het raadsel van de crash probeerde op te lossen, is nu nog een tijdelijk tentoonstelling ingericht die het verhaal vertelt van de 40 passagiers en bemanningsleden die het er niet bij lieten zitten. De kapers raakten zo van slag dat ze besloten de Boeing in het lege veld te boren in plaats van in het beoogde doelwit: het Capitol in Washington. Aan een muur hangen briefjes: ‘Bedankt dat jullie je leven voor ons riskeerden’, ‘Jullie waren sterke en dappere mensen’, ‘We vergeten jullie nooit’. In de zomermaanden worden de briefjes iedere week door 5000 mensen gelezen.
Een vrouw, met een grote tatoeage op haar kuit, loopt met haar peuterdochtertje naar het uitkijkpunt op de heuvel. ,,Zie je dat? Daar probeerden stoute mensen stoute dingen te doen.” Haar dochtertje is niet onder de indruk. ,,Zullen we nu gaan?” Voor de inwoners van Shanksville is dat geen optie. Daar heerst sinds 9/11 een angstaanjagend besef: er is geen plek ter wereld zo afgelegen of de terroristen weten het te vinden.

9/11 COLUMN – HET NIEUWE WTC

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Jenny is mijn buurvrouw. Ze woont al jaren in New York en heeft een goede baan bij een bedrijf aan Park Avenue waar ze iets ingewikkelds doet met software. De dag dat orkaan Irene New York bezocht, reed ik met Jenny in haar rode Mini Cooper naar Lower Manhattan om de schade te inventariseren. We stonden stil voor een verkeerslicht en Jenny keek omhoog. ,,Wat is dat voor gebouw?”, wilde ze weten. We keken naar de Freedom Tower, de opvolger van de Twin Towers. Ik wist dat (hoe kun je het níét weten?!), maar Jenny niet.
Tower 1, of Freedom Tower, is één van de zeven wolkenkrabbers die herrijzen op de plek die door de aanslagen met de grond gelijk werd gemaakt. Het heet niet voor niks Ground Zero: de plek het dichtst bij de aarde waar de vernietiging na een ontploffing of natuurramp (of als twee vliegtuigen de twee hoogste gebouwen van een stad invliegen) het hevigst is.
Woensdag kwamen burgemeester Michael Bloomberg van New York en de 80-jarige projectontwikkelaar Larry Silverstein – een Larry King-achtig mannetje – samen om de voortgang van het nieuwe (en verbeterde) World Trade Center te bespreken. Want dat stond direct na de aanslagen als een paal boven water: wat door terroristen vernietigd was, moest het liefst nog beter, mooier, grootser worden opgebouwd dan het origineel. De presentatie op de tiende verdieping van Tower 7, de eerste opgeleverde wolkenkrabber van het nieuwe WTC-complex, was flitsend. Een filmpje wekte de indruk dat de wolkenkrabbers er al staan. De in mijn handen gedrukte usb-stick met de perspresentatie had de vorm van een sleutel. Zo rond 2015-2016 moet het hele complex af zijn, maar in 2013 (twee jaar later dan gepland) moet de nieuwe, ‘adembenemende’ skyline al te bewonderen zijn.
Paradepaardje Tower 1, een imposante, optisch gedraaide constructie, is nu 82 verdiepingen hoog. Iedere week leggen 3000 bouwvakkers er een verdieping bovenop totdat ze bij 104 zijn. Als er dan ook nog eens een 126 meter hoge antenne op staat, meet deze Freedom Tower 1776 voet (541,3 meter) hoog, naar het jaartal waarin Amerika onafhankelijk werd (ze zijn hier niet vies van een beetje symboliek).
Voor het stoplicht bestudeerde Jenny de glimmende ramen van de toren een paar seconden. ,,It’s pretty”, oordeelde ze net voordat het licht weer op groen sprong en ze het gaspedaal stevig intrapte.

9/11 COLUMN: HALFSTOK IN AFGHANISTAN

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Iedere dag loopt er minstens eentje mijn mailbox in. Soms wel vier. En het onderwerp is altijd hetzelfde: ‘DOD Identifies Army Casualty’. DOD staat voor Departement of Defense die met de mails de pers op de hoogte stelt van weer een gesneuvelde militair in Afghanistan.
Zondag kondigde de mail bijvoorbeeld de dood aan van Christopher Scott. Hij was pas 21. De tot nu toe 1756 gesneuvelden – al meer dan de helft van de doden die op 9/11 vielen – zijn vaak piepjong en komen uit anonieme plaatsen als Watauga, Deltona of Kuna. Niet zelden namen ze het op tegen een geïmproviseerd explosief en verloren. Tegen zo’n laffe tegenstander, verstopt in het babypoederzand van Kandahar of Helmand, is het moeilijk vechten.
Wat dit met de herdenking te maken heeft? Heel veel. Operatie Enduring Freedom was een direct gevolg van de aanslagen. Tien jaar later vecht Amerika er nog altijd tegen een vijand die zich op het ene moment voordoet als een goeiig boertje en op het andere moment een kalasjnikov uit zijn gewaden tovert.
Toen ik nog als defensieverslaggever werkte, waren de aankondigingen van een persconferentie door de Commandant der Strijdkrachten zeldzaam. En iedereen wist dan hoe laat het was. In de Verenigde Staten houden ze niet eens persconferenties. Dat zou lopende bandwerk zijn.
Daarmee is niet gezegd dat de ‘troops’ onbelangrijk zijn voor de Amerikanen. Nadat in mei het brein achter de aanslagen was gedood, trof ik op Ground Zero een paar rekruten. De feestende menigte schudde hen de hand. Ze kregen schouderklopjes. Dat hun uniform gezien wordt als symbool, begrepen ze niet.
Ook bij de herdenking worden de soldaten niet vergeten: daags voor 11 september worden ze geëerd met de Patriot Classic, een Footballwedstrijd. Het is de Amerikaanse manier om te laten zien dat men doordrongen is van het al dan niet terechte besef dat militairen vechten om het Amerikaanse vrijheidsgevoel in stand te houden. En dat de prijs die ze daarvoor betalen soms onevenredig hoog is.
Toen ik in de zomer van 2009 in Afghanistan was, ging ik mee met de Amerikaanse medevac, de helikopters die gewonden uit het veld halen. Er was net een Nederlander omgekomen door zo’n vermaledijde bermbom. Een Nederlandse verpleegkundige die meevloog met de Amerikanen vertelde me dat ze niet eens verdrietig durfde te zijn. Bij de Amerikanen hing de vlag immers iedere dag halfstok.

9/11 COLUMN – ANIMAL PLANET HERDENKT OOK

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Of het nou één, twee, vijf of tien jaar geleden is, herdenken gaat gepaard met terugkijken. Dus zien Amerikaanse tv-kijkers dezer dagen veel beelden van 11 september. De Boeing die als een warm mes door boter de zuidtoren van het World Trade Center invliegt, beduusd omhoog kijkende zakenmensen – sommige stilletjes huilend, anderen getroost door wildvreemden – en brandweermannen wier ooit zwarte hittebestendige pakken grijs gekleurd zijn door het stof.
Iedereen die ook maar iets met 9/11 te maken had, wordt tien jaar later weer voor de camera getrokken. Het was ook de eerste grote ‘televisieramp’. En het maakt niet uit hoe vaak je de beelden ziet, ze blijven emoties oproepen. Zelf vraag ik me altijd af hoe iemand in staat is om als piloot doelbewust op een gebouw af te vliegen, wetende dat je het zelf niet overleeft. Of hoe iemand aan een bureau op de 97ste verdieping nietsvermoedend opkijkt van zijn computerscherm en de neus van een vliegtuig op zich af ziet komen. Brrr.
Voor National Geographic Channel, de zender die sinds eind augustus al in het teken staat van 9/11, heeft dat ook een persoonlijke reden: twee medewerkers zaten in het vliegtuig dat op 11 september crashte in het Pentagon. In iedere commercial break worden zij met gevoel voor dramatiek herdacht.
Afgelopen weekend keek ik tussen deze reclameblokken door naar de herhalingen van de interviews met voormalig president George W. Bush en oud-burgemeester Rudy Giuliani. Uiteraard kwistig gelardeerd met de even bekende als dramatische beelden van die dag. Ik zag Bush – iets grijzer en met vochtige ogen – vertellen dat hij de stewardessen van Air Force One een geruststellende ‘big hug’ had gegeven. En Giuliani hield zijn tranen voor zichzelf. Hij wilde niet dat de wereld hem zag huilen. Dat was maar slecht voor het moraal.
Net als zoveel dingen in de VS is het niet goed of het deugt niet. Mensen klagen dat er te veel aandacht is voor de tienjarige herdenking. Zelfs Animal Planet en kinderzender Nickelodeon besteden er aandacht aan. Volgens sommigen wordt de dag door de overdaad gedevalueerd. Anderen vinden de aandacht juist belangrijk. In Middletown, waar 37 forenzen die dag niet meer terugkwamen, zei de burgemeester tegen mij dat het lastig balanceren is op de grens tussen herdenken en doorgaan met het leven. En dan kun je het eigenlijk ook nooit goed doen.

9/11-COLUMN – DE AANSLAGEN ALS MELKKOE

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – ,,Het is verdomme een begraafplaats!” De toch van nature kalme John Devlin schiet uit zijn slof en laat me van mijn notitieblokje opschrikken. Na de 11 september die in ieders geheugen staat gegrift werkte hij negen maanden lang, zeven dagen in de week, twaalf uur per dag op Ground Zero. In zijn ogen is het een begraafplaats. 2753 onfortuinlijke mensen vonden er hun laatste ‘rustplaats’.
Daarom maakt het hem zo intens boos als mensen 9/11 gebruiken om er geld mee te verdienen. Vooral in de aanloop naar de herdenking hebben de merchandise bedenkers van deze wereld zichzelf overtroffen in smakeloosheid. Niet alleen worden de inmiddels standaard Amerikaanse vlaggetjes en T-shirts vrolijk te koop aangeboden, maar wat de denken van herdenkingswijn? Of een Zippo-achtige aansteker met het hoofd van Bin Laden (toen er nog geen gat in zat). Een 9/11-hondenriem. En mijn persoonlijke favoriet: een mes met op het lemmet ‘never forget’.
Voor de duidelijkheid: ik probeer niet een wedstrijdje ‘verzin de raarste 9/11-koopwaar’ te winnen. Het is allemaal heus op de markt. Vaak ook nog voor een toepasselijke prijs (9,11 dollar). Dus voor wie nog in de markt is voor een 9/11-geïnspireerd schaakset waarin vliegtuigen het tegen gebouwen moeten opnemen, spoed u nu naar Amerika!
De opbrengst van sommige producten komt nog ten goede aan het officiële monument, maar het meeste geld vloeit rechtstreeks in de zakken van mensen die dollartekens hebben op de plaats waar normaal de pupil zit. Heiligschennis, oordeelt Devlin.
Al is hij ook niet roomser dan de paus. Devlin heeft uit de puinhopen van Ground Zero een aandenken meegenomen. Gekalmeerd van zijn uitbarsting haalt hij een stalen lager tevoorschijn. Het past in de palm van mijn hand. Het zou niet bij hem opkomen het ooit te gelde te maken.
Brokstukken van de Twin Towers gingen overigens het hele land over, waar ze werden verwerkt in monumenten ter nagedachtenis aan de aanslagen. In Atlantic Highlands, New Jersey bijvoorbeeld, hemelsbreed maar 38 kilometer van Manhattan. De regio verloor die dag 147 inwoners. Het monument op Mount Mitchill, waar vandaan op een heldere dag Manhattan te zien is, bestaat uit een verweesd kijkende betonnen Amerikaanse zeearend die een verwrongen stalen H-balk in de klauwen heeft. Drie keer raden waar die balk vandaan komt. Juist: van een ‘begraafplaats’.

9/11 COLUMN – DE EMOTIE VAN TIEN JAAR OUDE FOTO’S

(Van onze correspondent Hanneke Keultjes)
NEW YORK (GPD) – Het is bijna tien jaar na de aanslagen van 11 september 2001 en daar kan niemand in New York omheen. Zo kan het dus zijn dat nietsvermoedende stadse dames – type mijn-kapsel-zit-perfect-omdat-het-te-bang-is-om-een-slechte-haardag-te-hebben – op zoek naar dat zijden jurkje bij Hugo Boss of die superzachte leren tas in ‘Marokkaans blauw’ van Cole Haan in het luxe winkelcentrumpje van Columbus Circle op de fotoserie Faces of Ground Zero stuiten.
Vanaf gigantische polaroidfoto’s kijken een priester, een agent, een verpleegkundige, twee burgemeesters, een F16-piloot en veel brandweermannen naar de winkelende mensen. Na 11 september 2001 fotografeerde Joe McNally driehonderd mensen die op of rond Ground Zero werkten. Nu worden ze weer tentoongesteld.
Iedereen werd op dezelfde manier gekiekt. Recht de camera in kijkend. Van kruin tot voeten. Levensgroot. ,,Het is net alsof ze ieder moment van het fotopapier af kunnen stappen!”, roept een dame tegen haar vriendin die naast haar staat.
Ze staren naar marinier Peter Regan in zwarte overal, werklaarzen en met een te grote helm op zijn hoofd. Zijn handen heeft hij in zijn zakken gestoken, alsof hij wil zeggen dat hij heus belangrijker zaken aan zijn hoofd heeft dan poseren voor een topfotograaf.
En dat was ook zo. Na 11 september zocht Peter in de puinhopen van het World Trade Center tevergeefs naar zijn vader, brandweerman Donald. Maar dat weten de dames niet, want ze nemen geen tijd om de tekst op het zilverkleurig plaatje naast de foto te lezen.
Als ze dat wel hadden gedaan, dan hadden ze gelezen dat Peter in juni 2002 naar Afghanistan is gegaan om mee te vechten tijdens Operatie Enduring Freedom, de Amerikaanse militaire reactie op de aanslagen. Na afloop van zijn militaire dienst had Peter één droom: hij wilde in de voetsporen van zijn vader treden. Hij heeft zijn doel bereikt. Peter is nu brandweerman bij hetzelfde brandweerkorps als waar zijn vader Donald ooit werkte. Die hoort nog altijd bij de meer dan duizend slachtoffers die officieel ‘vermist’ zijn.
De dames interesseert het niet. In de tijd dat ik het verhaal van vader en zoon Regan heb gelezen, staan zij in een volgende winkel hebberig stofjes te aaien. Jurkjes met een prijskaartje van 550 dollar en tassen van 378 dollar laten zich moeilijk combineren met de emoties die tien jaar oude foto’s oproepen.